RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


De rol van de universiteiten in het Europa van de kennis

Deze mededeling beoogt een debat op gang brengen over de rol van de Europese universiteiten in de kennismaatschappij en -economie.

BESLUIT

Mededeling van de Commissie van 5 februari 2003 - De rol van de universiteiten in het Europa van de kennis [COM(2003) 58 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].

SAMENVATTING

Gezien hun centrale rol is het tot stand brengen van een Europa van de kennis voor de universiteiten een kans, maar ook een grote uitdaging. De universiteiten werken namelijk in een steeds verder gemondialiseerde omgeving die voortdurend verandert en die gekenmerkt wordt door toenemende concurrentie om de beste talenten aan te trekken en te behouden en door het ontstaan van nieuwe behoeften waaraan zij moeten voldoen. Nu hebben de Europese universiteiten over het algemeen minder troeven en financiële middelen dan gelijkwaardige instellingen in andere ontwikkelde landen, met name de Verenigde Staten. Kunnen zij met de beste universiteiten ter wereld concurreren en een duurzaam topniveau garanderen? Deze vraag is met name actueel in het vooruitzicht van de uitbreiding, aangezien de universiteiten van de kandidaat-lidstaten vaak over weinig personele en financiële middelen beschikken.

Het Europees universitair landschap

De Europese universiteiten worden gekenmerkt door een aanzienlijke heterogeniteit, die tot uiting komt in hun organisatie, 'governance' en werking, en eveneens in hun statuut, arbeids- en aanwervingsvoorwaarden voor docenten en onderzoekers.

De Europese Unie telt ongeveer 3300 instellingen voor hoger onderwijs. Samen met de landen van Oost-Europa en de kandidaat-lidstaten zijn het er ongeveer 4000. Hun aantal studenten stijgt voortdurend: meer dan 12,5 miljoen in 2000, tegen 9 miljoen tien jaar voordien. De universiteiten stellen 34 % van alle onderzoekers in Europa te werk, waarbij de nationale cijfers sterk uiteenlopen (26 % in Duitsland, 55 % in Spanje en meer dan 70 % in Griekenland).

De Europese Unie leidt iets meer wetenschappelijk en technisch gediplomeerden op dan de Verenigde Staten, terwijl zij minder onderzoekers telt dan de overige grootmachten op technologisch gebied. De verklaring voor deze schijnbare paradox ligt in het geringer aantal onderzoekersbetrekkingen dat aan wetenschappelijk gediplomeerden in Europa wordt aangeboden, met name in de particuliere sector: slechts 50 % van de Europese onderzoekers werkt in het bedrijfsleven, tegen 83 % van de Amerikaanse en 66 % van de Japanse onderzoekers. Niettemin verrichten de universiteiten 80 % van al het fundamenteel onderzoek in Europa.

Universiteiten en de Europese dimensie

Aangezien de universiteiten voornamelijk op nationaal en regionaal niveau zijn georganiseerd, lijken ze moeite te hebben een daadwerkelijke Europese dimensie te vinden. Mobiliteit van studenten is in Europa bijvoorbeeld nog steeds een marginaal verschijnsel. In 2000 studeerde slechts 2,3 % van de Europese studenten in een ander Europees land. De Europese Unie financiert talrijke initiatieven, zowel op Europees als op internationaal niveau, op het gebied van onderzoek, onderwijs en opleiding.

Wat onderzoek betreft, ontvangen de Europese universiteiten ongeveer een derde van de financiering van het vijfde en zesde Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, met name de steunmaatregelen voor opleiding en mobiliteit van onderzoekers (Marie Curie-maatregelen). Inzake onderwijs en opleiding zijn de universiteiten nauw betrokken bij alle maatregelen van het Socrates -programma, vooral het onderdeel Erasmus. Het Leonardo -programma ondersteunt mobiliteitsprojecten tussen universiteiten en bedrijven, waarbij tussen 1995 en 1999 40.000 personen betrokken zijn geweest. De universiteiten zijn tevens betrokken bij het initiatief eEurope en het eEurope 2005-actieplan, dat alle universiteiten ertoe aanmoedigt online-toegang ("virtuele campussen") voor studenten en onderzoekers aan te bieden.

Deze samenwerking betreft eveneens andere delen van de wereld. Het Kaderprogramma van de Gemeenschap voor onderzoek staat grotendeels open voor alle landen van de wereld en ondersteunt met name de samenwerking met de landen van het Middellandse-Zeegebied, Rusland en de nieuwe onafhankelijke staten alsmede de ontwikkelingslanden. Via het Tempus -programma verleent de Unie steun aan universitaire samenwerking met de landen van de voormalige Sovjetunie, Zuid-Oost-Europa en, sinds de uitbreiding van het programma in 2002, het Middellandse-Zeegebied. Voor andere gebieden bestaan er eveneens initiatieven zoals Alfa en Asia-Link.

Nieuwe uitdagingen voor de Europese universiteiten

De universiteiten dienen zich aan te passen aan een reeks ingrijpende veranderingen, namelijk:

  • toename van de vraag naar hoger onderwijs. In Europa gaat een laag geboortecijfer gepaard met een toenemende vraag naar hoger onderwijs, die de komende jaren zal aanhouden onder druk van enerzijds het beleid van bepaalde landen om het aantal studenten in het hoger onderwijs te vergroten en anderzijds de nieuwe behoeften in het kader van een leven lang leren.
  • internationalisering van onderwijs en onderzoek. De Europese universiteiten trekken minder buitenlandse studenten, maar vooral minder buitenlandse onderzoekers aan dan de Amerikaanse universiteiten. In 2000 bedroeg het aantal buitenlandse studenten in Europa ongeveer 450.000 en in Amerika 540.000, van wie de meerderheid uit Azië. De Verenigde Staten trekken echter in verhouding veel meer buitenlandse studenten in de geavanceerde ingenieurswetenschappen, wiskunde en informatica aan, en behouden meer afgestudeerden met een doctorsgraad: ongeveer 50 % van de Europeanen die hun diploma in de Verenigde Staten hebben behaald, blijft daar vervolgens nog een aantal jaren, en een niet onaanzienlijk deel vestigt zich permanent in de VS. De Europese universiteiten bieden onderzoekers en studenten namelijk een minder aantrekkelijke omgeving, ten dele doordat zij vaak niet over de vereiste kritische massa beschikken, hetgeen hen ertoe aanzet toenadering tot elkaar te zoeken door het opzetten van netwerken of van gemeenschappelijke cursussen en diploma's. Daarnaast spelen echter ook factoren buiten de universiteit een belangrijke rol, zoals de rigiditeit van de arbeidsmarkt of een geringere mate van ondernemerschap die minder werkgelegenheid in de innovatieve sectoren oplevert.
  • efficiënte en nauwe samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven opzetten. De samenwerking tussen de universiteiten en het bedrijfsleven moet worden versterkt door deze meer te richten op innovatie, het oprichten van nieuwe bedrijven en meer in het algemeen de overdracht en verspreiding van kennis.
  • verveelvoudiging van het aantal plaatsen waar kennis wordt geproduceerd. Door de toenemende neiging van ondernemingen om hun onderzoeksactiviteiten uit te besteden aan de beste universiteiten, worden deze laatste in een steeds concurrerender vaarwater gebracht.
  • reorganisatie van de kennis. Deze blijkt duidelijk uit twee ontwikkelingen. Enerzijds is er de toenemende diversificatie en specialisatie van kennis, het ontstaan van steeds geavanceerder en strakker omlijnde specialismen in onderzoek en opleiding. Anderzijds is het dringend noodzakelijk dat de academische wereld zich aanpast aan de interdisciplinaire aard van grote maatschappelijke problemen, zoals duurzame ontwikkeling, nieuwe plagen voor de gezondheid en risicobeheer. Daarentegen zijn de activiteiten van de universiteiten, met name inzake onderricht, nog altijd georganiseerd op grond van het traditionele onderscheid tussen vakgebieden.
  • ontstaan van nieuwe verwachtingen. De universiteit dient in te gaan op nieuwe behoeften aan onderwijs en opleiding die samen met de kenniseconomie en -maatschappij ontstaan. Een daarvan is een toenemende behoefte aan wetenschappelijk en technisch onderwijs, transversale vaardigheden en mogelijkheden om een leven lang te leren, die een grotere doorlaatbaarheid vergen tussen de onderdelen en niveaus van de onderwijs- en opleidingsstelsels.

Nieuwe rollen voor de Europese universiteiten

Een topniveau inzake menselijk potentieel hangt grotendeels af van de beschikbare financiële middelen, maar ook arbeidsomstandigheden en loopbaanvooruitzichten spelen een rol. Over het algemeen worden de loopbaanvooruitzichten in de Europese universiteiten gekenmerkt door de veelheid van configuraties en zijn zij beperkt en gehuld in onzekerheid. De uitdagingen en de rollen die voor die universiteiten zijn weggelegd, zijn talrijk. In deze mededeling worden de volgende drie doelstellingen nagestreefd:

  • ervoor zorgen dat de Europese universiteiten over voldoende en duurzame middelen beschikken. Openbare financiering is traditioneel de belangrijkste bron van financiering van onderzoek en onderwijs van de Europese universiteiten. Alternatieve inkomsten kunnen worden verworven uit:
    1. particuliere schenkingen, zoals we in de Verenigde Staten zien;
    2. de verkoop van diensten (inclusief onderzoeksdiensten en soepele mogelijkheden om een leven lang te leren), met name aan bedrijven;
    3. de bijdragen van de studenten, in de vorm van inschrijvingskosten en collegegeld. In Europa zijn deze bijdragen over het algemeen gering of zelfs verboden teneinde een democratische toegang tot hoger onderwijs te garanderen;
    4. benutten van onderzoeksresultaten en de verwezenlijking van "spin-off"-bedrijven. Sinds halverwege de jaren negentig blijft in Europa het aantal jonge technologische bedrijven ("spin-offs") dat door universiteiten is opgericht alleen maar toenemen. De gemiddelde concentratie van deze bedrijven blijft echter een stuk lager dan die rond de Amerikaanse campussen. Een belangrijke belemmering voor een betere benutting van de resultaten van universitair onderzoek is de manier waarop in Europa met intellectuele eigendom wordt omgegaan. Voorts beschikken de Europese universiteiten niet over goed uitgebouwde structuren voor het beheer van onderzoeksresultaten. Zo zijn zij minder goed ontwikkeld dan die van bijvoorbeeld de openbare instellingen voor onderzoek. Een andere factor is dat veel universiteiten niet vertrouwd zijn met de economische realiteit van onderzoek, met name het beheer ervan en kwesties inzake intellectuele eigendom.
  • het topniveau van de Europese universiteiten op onderzoek- en onderwijsgebied versterken. Deze mededeling verzoekt de Europese universiteiten na te gaan op welke gebieden de verschillende universiteiten het noodzakelijk geachte topniveau op Europees of wereldvlak hebben gehaald of redelijkerwijs kunnen halen teneinde hun middelen aan academisch onderzoek daarop te kunnen concentreren. Het toespitsen van de financiering voor onderzoek op een kleiner aantal vakgebieden en instellingen moet leiden tot een sterkere specialisatie van universiteiten, waardoor het mogelijk wordt op bepaalde vakgebieden een passend niveau te halen en tegelijkertijd op Europees vlak een topniveau te garanderen.
    Ten aanzien van de huidige tendens dat de Europese universiteiten onderdanen uit hun eigen land of regio of zelfs uit hun eigen instelling aanwerven, stelt de mededeling bovendien voor niet alleen de intra-Europese academische mobiliteit te bevorderen, maar ook de mobiliteit tussen de universiteit en het bedrijfsleven. Zo kan jonge onderzoekers nieuwe loopbaanperspectieven worden geboden.
  • de Europese universiteiten een breder perspectief geven en hun internationale aantrekkingskracht vergroten. Een breder internationaal perspectief betekent dat de Europese universiteiten meer moeten gaan concurreren met universiteiten in andere werelddelen, met name in Amerika, teneinde de beste talenten vanuit de hele wereld aan te trekken en te behouden. Hoewel de Europese universiteiten bijna hetzelfde aantal buitenlandse studenten hebben als de Amerikaanse, trekken zij in verhouding minder studenten van topniveau aan en een kleiner percentage onderzoekers. Alles bij elkaar is de omgeving die de Europese universiteiten aanbieden minder interessant. De financiële, materiële en arbeidsvoorwaarden zijn namelijk niet even goed. Voorts zijn er de ongeschikte en slecht geharmoniseerde regelingen met betrekking tot visa en verblijfsvergunningen voor studenten, docenten en onderzoekers.
    De regio's van de EU dienen dan ook een belangrijke rol te spelen bij het versterken van de Europese samenhang door het opzetten van technologiecentra en wetenschapsparken, de proliferatie van regionale samenwerkingsstructuren tussen het bedrijfsleven en de universiteiten, de expansie van de regionale ontwikkelingsstrategieën van universiteiten en de regionale netwerkactiviteit van universiteiten.

Achtergrond

Deze mededeling heeft ten doel een debat op gang te brengen over de rol van de Europese universiteiten in de kennismaatschappij en -economie, opdat de Europese universiteiten een sleutelpositie kunnen gaan bekleden bij het behalen van de strategische doelstelling die de Europese Raad van Lissabon heeft vastgesteld, namelijk om de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te worden. De kennismaatschappij en -economie ontstaat en groeit door de combinatie van vier van elkaar afhangende elementen: de productie van nieuwe kennis, de overdracht van kennis via onderwijs en opleiding, de verspreiding van kennis met behulp van informatie- en communicatietechnologieën en de toepassing van kennis door middel van technologische procédés en nieuwe diensten. De universiteiten in Europa bekleden een sleutelpositie in dit nieuwe proces.

GERELATEERDE BESLUITEN

Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 over verdere Europese samenwerking op het gebied van de kwaliteitsborging in het hoger onderwijs [Publicatieblad L 64 van 4.3.2006].

Mededeling van de Commissie van 10 januari 2003 - Efficiënt investeren in onderwijs en beroepsopleiding : een dwingende noodzaak voor Europa [COM(2002) 779 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].

Mededeling van de Commissie van 20 april 2005 - Mobilisatie van het intellect in Europa : mogelijkheden voor universiteiten om een optimale bijdrage te leveren aan de Lissabon-strategie [COM(2005) 152 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Aanbeveling (EG) 561/98 van de Raad van 24 september 1998 inzake Europese samenwerking om de kwaliteit in het hoger onderwijs te garanderen [Publicatieblad L 270 van 7.10.1998].

Laatste wijziging: 19.04.2006
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven