RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Tempus III (2000-2006)

Archief

Het doel van dit trans-Europees mobiliteitsprogramma voor hoger onderwijs is de ontwikkeling van de hogeronderwijsstelsels in de begunstigde landen te bevorderen. Het moet ook de samenwerking tussen die begunstigde landen en de Europese Unie (EU) versterken.

BESLUIT

Besluit 99/311/EG van de Raad van 29 april 1999 tot goedkeuring van de derde fase van het trans-Europees Mobiliteitsprogramma voor hoger onderwijs (Tempus III) (2000-2006) [Zie wijzigingsbesluiten].

SAMENVATTING

Het hoger onderwijs en het hoger beroepsonderwijs worden beschouwd als essentiële gebieden voor het economische en sociale hervormingsproces. Daarom start de Europese Unie (EU) deze derde fase van het trans-Europees mobiliteitsprogramma voor hoger onderwijs (Tempus III). Tempus III, dat de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 december 2006 bestrijkt, volgt op Tempus I en II.

Aanvankelijk was Tempus III uitsluitend bestemd voor de landen in Centraal- en Oost-Europa, de nieuwe onafhankelijke staten van de voormalige Sovjet-Unie, Mongolië en begunstigden van de programma's PHARE en TACIS. Voortaan is het gericht op alle begunstigde landen van het TACIS-programma, de Westelijke Balkanlanden die begunstigden zijn van het CARDS-programma en de landen die deelnemen aan het Europees-mediterrane partnerschap en begunstigden zijn van het MEDA-programma.

Instellingen uit de Europese Unie (EU), kandidaat-lidstaten en de landen van de groep van 24 westerse industrielanden die geen lidstaat van de EU zijn (Australië, Canada, de Verenigde Staten, IJsland, Japan, Liechtenstein, Noorwegen, Nieuw‑Zeeland en Zwitserland) mogen uitsluitend op basis van medefinanciering aan Tempus-projecten deelnemen.

Het specifieke doel van Tempus III is de ontwikkeling van de hogeronderwijsstelsels in de begunstigde landen te stimuleren door begrip en toenadering tussen culturen te bevorderen en door het aanpakken van:

  • vraagstukken in verband met de ontwikkeling en herziening van leerplannen;
  • de hervorming van structuren en instellingen in het hoger onderwijs en van het beheer daarvan;
  • de ontwikkeling van op de verwerving van vaardigheden gerichte opleidingen, met name door de versterking van de banden met het bedrijfsleven;
  • de bijdrage van hoger onderwijs en opleidingen tot het burgerschap en de versterking van de democratie.

Tempus moedigt de instellingen in de EU-lidstaten en de partnerlanden aan gezamenlijke Europese projecten uit te voeren met een maximale looptijd van drie jaar. Europese projecten omvatten ten minste één universiteit in een begunstigd land, één universiteit in een EU-lidstaat en een partnerorganisatie (universiteit, bedrijf of instantie) in een andere EU-lidstaat.

In het kader van gezamenlijke projecten worden beurzen toegekend aan:

  • docenten en administratief personeel van universiteiten alsook aan opleidend personeel uit het bedrijfsleven van EU-lidstaten die voor periodes van hoogstens één jaar onderwijs- en opleidingsopdrachten in begunstigde landen aanvaarden, en vice versa;
  • docenten en administratief personeel van universiteiten van begunstigde landen die her- en bijscholingscursussen in de EU volgen;
  • studenten tot en met het doctoraalniveau en promovendi. Het betreft zowel studenten uit de begunstigde landen die studieperiodes in de EU doorbrengen als studenten uit de EU die studieperiodes in de begunstigde landen doorbrengen. De steun wordt normaliter toegekend voor een periode van drie maanden tot een jaar;
  • studenten die deelnemen aan gezamenlijke Europese projecten waarvan het specifieke doel is mobiliteit te bevorderen. Prioriteit wordt daarbij verleend aan studenten die deelnemen aan projecten waarbij de studieperiode in het buitenland de volledige academische erkenning door hun eigen universiteit geniet;
  • docenten, opleiders, studenten en afgestudeerden uit de begunstigde landen voor praktijk- en bedrijfsstages van één maand tot één jaar tussen de voltooiing van hun studie en hun eerste baan, zodat zij stage kunnen lopen bij Europese ondernemingen en vice versa.

Er wordt ook financiële steun verleend voor een aantal structurele en/of aanvullende maatregelen (met name technische bijstand, seminars, studies, publicaties, voorlichtingsactiviteiten); deze maatregelen zijn bedoeld om de doelstellingen van het programma, met name de ontwikkeling en herstructurering van de hogeronderwijsstelsels in de begunstigde landen te ondersteunen.

De EU verstrekt ook individuele beurzen voor bezoeken ter bevordering van de kwaliteit, de ontwikkeling en de herstructurering van het hoger onderwijs en hoger beroepsonderwijs in de begunstigde landen. Begunstigden die voor deze beurzen in aanmerking kunnen komen, zijn docenten, opleiders en universiteitsadministrateurs, hoge ambtenaren van ministeries, onderwijsplanners en andere opleidingsdeskundigen.

De Commissie en de bevoegde autoriteiten van elk begunstigd land stellen samen de gedetailleerde doelstellingen en prioriteiten voor Tempus III vast in het kader van de nationale strategie voor economische en sociale hervormingen.

De Commissie legt het Tempus III-programma ten uitvoer overeenkomstig deze doelstellingen en prioriteiten. De Commissie wordt hierin bijgestaan door een raadgevend comité bestaande uit een vertegenwoordiger van elke EU-lidstaat en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

De Commissie werkt samen met:

  • de instellingen van de begunstigde landen die zijn aangewezen of opgericht om de doeltreffende tenuitvoerlegging van Tempus III te coördineren;
  • de door de EU-lidstaten aangewezen bevoegde nationale instanties.

De Commissie draagt zorg voor de samenhang tussen en de complementariteit van Tempus III en de overige acties die op EU-niveau worden ondernomen in het kader van de bijstand aan de begunstigde landen, met name de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding (ESO). De Commissie zorgt bovendien voor de adequate coördinatie met de acties die worden uitgevoerd door de landen die niet tot de EU behoren of door universiteiten en bedrijven van deze landen. Deze acties kunnen in verschillende vormen de deelneming aan de Tempus III-projecten omvatten.

REFERENTIES

Besluit Datum van inwerkingtreding – vervaldatum Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht Publicatieblad
Besluit 99/311/EG

29.4.1999–31.12.2006

-

L 120 van 8.5.1999

Wijzigingsbesluit(en) Datum van inwerkingtreding – vervaldatum Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht Publicatieblad

Besluit 2000/460/EG

22.7.2000–31.12.2006

-

L 183 van 22.7.2000

Verordening (EG) nr. 2666/2000

7.12.2000–31.12.2006

-

L 306 van 7.12.2000

Besluit 2002/601/EG

27.6.2002–31.12.2006

-

L 195 van 24.7.2002

GERELATEERDE BESLUITEN

Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 28 april 2010 over de externe evaluatie achteraf van de derde fase van het Tempusprogramma 2000-2006 [COM(2010) 190 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
De algemene, specifieke en operationele doelstellingen van het Tempus III-programma en in het bijzonder de hoofddoelstelling, namelijk de hervorming en modernisering van het hoger onderwijs op institutioneel niveau, werden relevant bevonden. Het programma voldeed ook erg goed door zijn bottom-upkarakter, waardoor prioriteiten op nationaal niveau konden worden vastgesteld en rekening werd gehouden met de verschillende fasen van het hervormingsproces. Hoewel de rol van het programma in andere onderdelen van het EU-beleid duidelijk was, dient de complementariteit met het Erasmus Mundus-programma nog te worden verbeterd.
Hoewel de financieringspercentages voor de projecten toereikend waren, werd bovendien over het algemeen onvoldoende geld vrijgemaakt voor de ambitieuze doelstellingen van het programma. Het programma werd desalniettemin kosteneffectief bevonden, vooral door zijn multilaterale karakter, zijn projectbenadering en zijn beheersmethoden.
Tempus III heeft in ruime mate bijgedragen tot de ontwikkeling van de hogeronderwijsstelsels. Tempus heeft er ook mee voor gezorgd dat het hoger onderwijs een bredere maatschappelijke relevantie kreeg door de versterking van de banden tussen het hoger onderwijs, het bedrijfsleven en de sector onderzoek en innovatie. Het programma heeft tevens bijgedragen tot een beter wederzijds begrip en een grotere toenadering tussen culturen. Vooral docenten hebben van het programma geprofiteerd. Het onderwijs is sterk gemoderniseerd en beter afgestemd op de behoeften van de maatschappij en de arbeidsmarkt. De hogeronderwijsinstellingen in de EU hebben vooral baat gehad van de grotere internationalisering. Het programma heeft ook bijgedragen tot de verdieping van de regionale samenwerking tussen de partnerlanden. Dankzij de omvang, de reikwijdte en de aard van het programma is Tempus uitgegroeid tot een kwaliteitslabel.
Het programma heeft heel wat duurzame resultaten opgeleverd:

  • in projecten opgedane inzichten en grotere kennis van bestudeerde gebieden;
  • betere werkwijzen en grotere onderwijs- en managementvaardigheden;
  • een sterker bewustzijn van andere culturen en van de EU-instellingen;
  • nieuwe curricula;
  • een op innovatie gerichte cultuur in de onderwijsinstellingen.

Bovendien heeft het programma in het hoger onderwijs tot duurzame partnerschappen geleid tussen EU-lidstaten en partnerlanden. De betrokken partijen blijken ook in hoge mate bereid financieel bij te dragen aan de voortzetting van de activiteiten en netwerken die in het kader van het programma zijn opgebouwd. De hogeronderwijssector en de hogeronderwijsstructuren moeten echter nog verdere hervormingen ondergaan. Daarom bevat dit verslag een reeks aanbevelingen die voor het Tempus IV-programma in aanmerking moeten worden genomen.

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 16 juli 2007 – Jaarverslag over de uitvoering van de derde fase van het Tempus-programma in 2006 [COM(2007) 420 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
De begroting van Tempus in 2006 bedroeg 53,45 miljoen euro. Bij de uitvoering van het programma in 2006 stonden drie prioriteiten centraal. Wat de verbetering van de verspreiding en de benutting van de projectresultaten betreft, heeft het directoraat-generaal (DG) EAC gebruikgemaakt van diverse instrumenten, zoals een nieuwe brochure, nieuw promotiemateriaal, een dvd "Tempus in action", enz. In de meeste partnerlanden en in een aantal EU-landen zijn voorlichtingscampagnes georganiseerd. De Commissie heeft ook een aantal regionale studies laten uitvoeren en conferenties georganiseerd zoals die van april 2006 in Amman (Jordanië). Versterking van plaatselijke controleactiviteiten gaat hand in hand met de versterking van de rol van de regionale bureaus. Door deze nationale bureaus zijn ongeveer 80 projecten bezocht, terwijl tussen het najaar van 2005 en het voorjaar van 2006 op ongeveer 30 projecten gezamenlijke controles zijn uitgevoerd door de ESO en ambtenaren van DG EAC. De Commissie merkt ten slotte op dat, algemeen gesproken, de betalingsverplichtingen en betalingen in het kader van Tempus overeenkwamen met de planning.

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 augustus 2006 – Jaarverslag Tempus 2005 [COM(2006) 491 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
De prioriteiten van het Tempus-programma in 2005 zijn naar behoren uitgevoerd. Wat de versterking van de betrokkenheid van de nationale autoriteiten bij de uitvoering van het programma betreft, is de belangrijke rol die Tempus speelt en het karakter van dit programma van proeftuin voor samenwerking en hervormingen in de partnerlanden naar voren gekomen. De Commissie heeft een nieuwe manier ontwikkeld om de ministeries van onderwijs van de partnerlanden te raadplegen om hen sterker bij de uitvoering van het programma te betrekken. Zij worden nu ingeschakeld op het moment van de eindbeoordeling van de resultaten van de projecten, waardoor de definitieve selectie van de projecten meer gewicht krijgt.
Wat de versterking van de rol van de nationale Tempus-bureaus (NTB's) betreft, moet worden opgemerkt dat deze bureaus een belangrijke rol bij de uitvoering van het programma spelen doordat zij de gebruikers van het programma en de Europese Commissie op de hoogte houden van de lopende projecten. In 2005 heeft de Commissie haar samenwerkingsverbanden met het netwerk van NTB's opnieuw aangehaald, vooral bij de ontwikkeling van hun werkprogramma's en om hen nauwer te betrekken bij de plaatselijke controles. Deze samenwerkingverbanden vormen een aanvulling op de activiteiten van de Commissie en haar technische bijstand. De Commissie heeft nieuwe NTB's geselecteerd voor Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan, en het NTB voor Rusland is geopend; alle NTB's waren eind 2005 operationeel.
Een van de prioriteiten voor de consolidatie van het beheer van het programma was de stroomlijning van het financieel beheer ervan, dat in 2003 van de ESO werd overgenomen bij de inwerkingtreding van het nieuw Financieel Reglement. Het aantal individuele-mobiliteitsbeurzen is teruggebracht van 800 tot 150 per jaar om de omvang van de activiteiten beheersbaar te maken. De leidraad voor aanvragers is gewijzigd ter vereenvoudiging van het beheer van de individuele-mobiliteitsbeurzen, die worden beschouwd als studiebeurzen die in hun geheel aan de geselecteerde kandidaten worden overgemaakt in de vorm van een eenmalige betaling. Er is een ambitieus programma van plaatselijke controles ingevoerd dat 10% van de lopende projecten bestrijkt en waarbij meer dan 50 inspecties ter plaatse worden uitgevoerd. Dit strookt met de aanbevelingen van de tussentijdse evaluatie waarvan de conclusies positief zijn ten aanzien van de prestaties van de meeste bezochte projecten, de verwezenlijking van de gestelde doelen en het nut voor het nationale hervormingsprogramma. Het is de bedoeling dat de NTB's 60% van de lopende projecten bezoeken. Het tijdschema van de campagne van plaatselijke controles voor 2005-2006 is vastgesteld in het najaar 2005 met medewerking van de Commissie, deskundigen van de ESO en de NTB's, hetgeen de Commissie een betere kijk verschaft op de uitvoering ter plaatse. Bovendien is het preventieve toezicht op het programma georganiseerd in de vorm van een opleidings- en netwerkingsseminar voor de coördinatoren van de in 2004 geselecteerde Tempus-Tacis-projecten. In 2005 zijn er vijf selectieprocedures gehouden – met een hoog aantal aanvragen per selectieronde, waaruit de belangstelling voor het programma blijkt – voor gezamenlijke Europese projecten (curricula, het bestuur van de universiteiten, versterking van de instellingen op een groot aantal terreinen), structurele en aanvullende maatregelen (opzetten van kwaliteitsborgingssystemen of de invoering van mechanismen voor de overdracht van studiepunten, actualiseren van curricula, gebruik van informatie- en communicatietechnologie en versterking van internationale betrekkingen die rechtstreeks zijn gekoppeld aan de actiepunten van het Bolognaproces) en individuele-mobiliteitsbeurzen (bijscholings- en studieperioden, voorbereidende activiteiten voor gezamenlijke Europese projecten, deelname aan specifieke conferenties en seminars). Er is een totaalbedrag van circa 57 miljoen euro voor projecten vastgelegd en er is in totaal circa 51,7 miljoen euro aan geselecteerde projecten toegekend.
Dat de verspreiding van de resultaten van het programma is verbeterd, is in de eerste plaats te danken aan de nieuwe opzet van de Tempus-website en aan het feit dat deze regelmatig wordt bijgewerkt. De verbetering is ook het gevolg van studies. Door de studie naar de duurzaamheid van de hogeronderwijsprogramma's, die eind 2005 werd afgerond, konden de aanvragers en de projectcoördinatoren factoren identificeren die de duurzaamheid van internationale samenwerkingsprojecten op het gebied van hoger onderwijs en opleiding ondersteunen en waarborgen. De studie verschaft een nieuw instrument, namelijk een handboek over duurzaamheid, en een promotiebrochure. In 2005 is met de steun van de ESO begonnen met de uitvoering van andere thematische studies, namelijk:

  • een studie naar de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven, met als doel de trends en de ontwikkelingen op het gebied van de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven in de deelnemende landen te bestuderen en het belang van deze samenwerking voor de studenten onder de aandacht te brengen;
  • effectanalyses die een beeld schetsen van de effecten die Tempus heeft gehad op hogeronderwijsinstellingen, op bij het hoger onderwijs betrokken personen en op organisaties die verbonden zijn met het hogeronderwijsstelsel, en die tot doel hebben de verspreiding van informatie over het programma te verbeteren en bij te dragen aan discussies over het toekomstige Tempus-programma.

Er is opdracht gegeven tot het maken van een video, getiteld "Tempus in Action", waarin deelnemers aan het project worden geïnterviewd. De nationale contactpunten van Tempus in de lidstaten spelen eveneens een belangrijke rol doordat zij de deelname van de hogeronderwijsinstellingen in de EU bevorderen. In de meeste partnerlanden en in een aantal EU-landen zijn Tempus-voorlichtingsdagen georganiseerd. De uitwerking van het toekomstige Tempus-programma wordt na 2006 voortgezet, waarbij sterke nadruk wordt gelegd op de institutionele samenwerking tussen universiteiten en op deelname van studenten uit de buurlanden. Het hoger onderwijs blijft een prioriteit bij de samenwerkingsactiviteiten van de EU met de buurlanden.

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 18 oktober 2005 – Tempus-verslag 2004 [COM(2005) 515 – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
De Commissie zet uiteen dat door overleg met en raadpleging van de voor het hoger onderwijs verantwoordelijke autoriteiten in de partnerlanden de nationale prioriteiten duidelijker op een rijtje konden worden gezet, waardoor het programma een maximaal effect zal hebben op de ontwikkeling van het hoger onderwijs in die landen. Tempus heeft een grote rol gespeeld bij de ondersteuning van de inspanningen van de partnerlanden om de vraagstukken in verband met het Bolognaproces hoog op de agenda van de hervormingen te krijgen. De Commissie concludeert dat uit de grotere ondersteuning van de individuele mobiliteit van personen die in het hoger onderwijs werkzaam zijn, de invoering van structurele en aanvullende maatregelen, het gevoerde overleg en de nationale prioriteiten, is gebleken dat Tempus het instrument bij uitstek is geworden.

Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, de Europese Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 10 februari 2005 – Tempus-verslag 2002 en 2003[COM(2005) 26 – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
De Commissie doet verslag van de uitvoering van het Tempus-programma voor de jaren 2002 en 2003. Op basis van een zeer positieve externe beoordeling merkt de Commissie op dat er in Tempus sprake was van twee gelijklopende processen. In de eerste plaats werd er gewerkt aan de hervorming van de uitvoering van het programma, en in de tweede plaats was er de succesvolle start en de consolidatie van het programma met de partners in het Middellandse Zeegebied (in het kader van het Europees-mediterrane partnerschap Meda). Daarnaast vermeldt de Commissie de invoering van een nieuw soort project (structurele en aanvullende maatregelen). Tempus gaat nu een periode van consolidatie in en de Commissie concludeert dat het programma duidelijk een centrale rol zal blijven spelen in het nieuwe geopolitieke klimaat in Europa na de uitbreiding.

Verslag van de Commissie aan de Raad van 8 maart 2004 over de tussentijdse evaluatie van de derde fase van het Tempus-programma [COM(2004) 157 – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
In het verslag staat dat Tempus, rekening houdend met de specifieke situatie van de begunstigde landen (met name de Cards-, Tacis- en Meda-landen), nog steeds een relevant en efficiënt instrument is om in te kunnen spelen op de huidige behoeften van het hoger onderwijs. Zowel in de Cards-landen als in de Tacis-landen is het overgangsproces nog maar in zeer beperkte mate gerealiseerd en ondervindt het hinder van zich langzaam ontwikkelende economieën, beperkte capaciteiten voor de doorvoering van hervormingen, zwakke maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid, gebrekkig werkende openbare voorzieningen en grote tekorten in de overheidsfinanciën. De overheidsuitgaven voor het onderwijs hebben hieronder te lijden. In de Tacis- en Cards-regio's volgen meer jongeren het hoger onderwijs dan ooit tevoren, terwijl reëel gezien nog slechts een derde van de financiële middelen van tien jaar geleden voor het hoger onderwijs beschikbaar is. Ook in tal van Meda-landen heeft het hoger onderwijs te lijden onder een ernstig gebrek aan financiële middelen, hoewel deze landen historisch gezien een heel andere ontwikkeling hebben doorgemaakt In de armste Meda-landen is het chronische tekort aan financiële middelen nog groter geworden door de algemeen heersende opvatting bij de internationale donorgemeenschap dat steun voor het onderwijs vooral moest worden gebruikt voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Gedacht werd dat dit kosteneffectiever was en op de korte termijn ook een hoger maatschappelijk rendement zou opleveren dan investeringen in het hoger onderwijs. Van dit idee is men in het recente verleden afgestapt en steun voor het hoger onderwijs wordt nu als dé sleutel voor duurzame ontwikkeling gezien. De Commissie wijst erop dat er geen belangrijke verschillen zijn in de wijze waarop de nationale prioriteiten voor de verschillende landen vastgelegd zijn, maar dat het karakter van de nationale prioriteiten en de wijze waarop zij gepresenteerd zijn wel aanzienlijke verschillen vertonen. Gezien het belang van de definitie van de nationale prioriteiten voor het welslagen van het programma moedigt de Commissie de instellingen voor hoger onderwijs aan om de eigen kennis beschikbaar te stellen voor maatschappelijke veranderingsprocessen en de nieuwe behoeften die daardoor ontstaan. Wat de algemene effecten op de hervormingen in het hoger onderwijs betreft, is Tempus in zijn geheel doeltreffend geweest. Gebleken is dat de gezamenlijke Europese projecten een bijdrage leveren aan de wijziging van de wetgeving, resp. regelgeving op het gebied van het hoger onderwijs. Ook leiden zij onder de instellingen voor hoger onderwijs tot meer openheid en bereidheid tot internationale samenwerking, tot managementhervormingen bij de instellingen, curriculumontwikkeling, scholing van beleidsmakers en duurzame partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs in de EU en de begunstigde landen. Om de effecten van het programma te versterken, wordt in het verslag voorgesteld om nog meer nadruk te leggen op informatie-uitwisseling, het doorgeven van de resultaten van de projecten en nauwere contacten tussen instellingen voor het hoger onderwijs en het bedrijfsleven waarbij de nadruk expliciet op inzetbaarheid ligt. In het verslag wordt ook voorgesteld om de gezamenlijke Europese projecten van Tempus te integreren in de leerplannen van de lerarenopleidingen en om innovatieve projectresultaten door te geven. Tot slot wordt in het verslag opgemerkt dat de Commissie in het recente verleden weliswaar inspanningen heeft geleverd om de procedures te stroomlijnen, maar dat de voorschriften in verband met de contracten en het financieel beheer minder streng zouden mogen zijn.

Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, de Europese Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 18 februari 2003 – Tempus - Jaarverslag 2001[COM(2003) 90 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
In het verslag wordt in algemene bewoordingen gewezen op de aanzienlijke toename van het aantal aanvragen door de uitbreiding van het Tempus-programma tot de Cards-landen, alsmede op het belang van de hervorming door de Commissie van het programmabeheer en de procedures.

Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, de Europese Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 17 juni 2002 – Tempus (Phare/CARDS en Tacis) Jaarverslag 2000 [COM(2002) 323 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
In het verslag wordt met name aandacht besteed aan de rol die de universiteiten in Zuidoost-Europa kunnen spelen bij het bevorderen van wederzijds begrip tussen culturen en etnische groepen, en aan het feit dat door universitaire samenwerking op regionaal niveau het menselijk kapitaal efficiënter kan worden benut.

Laatste wijziging: 08.07.2010

Zie ook

  • De website van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur van de Europese Commissie over Tempus (DE) (EN) (FR)
  • De website van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur over Tempus (EN)
  • De website van de Europese Stichting voor opleiding (EN)
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven