RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Globale richtsnoeren voor het economisch beleid (2005-2008)

Archief

De Europese Unie dient haar beleid te richten op economische groei en werkgelegenheid. Deze globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB) verwoorden het nieuwe elan van de strategie van Lissabon. Zij spitsen zich toe op het macro-economisch beleid * en op de maatregelen en beleidsvormen die de lidstaten moeten doorvoeren om Europa aantrekkelijker te maken om in te investeren en er te werken (micro-economisch beleid) *.

BESLUIT

Aanbeveling 2005/601/EG van de Raad van 12 juli 2005 inzake de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap (2005 - 2008) [Publicatieblad L 205 van 6.8.2005].

SAMENVATTING

De aanbeveling past in het geheel van de strategie van Lissabon (DE)(EN)(FR): de Unie dient al haar middelen in te zetten voor de doelstellingen van deze strategie om van de Unie in 2010 de meest concurrerende economie ter wereld gemaakt te hebben. De aanbeveling omvat twee gedeelten: het eerste over de bijdrage van het macro-economisch beleid om de strategie van Lissabon nieuw elan te geven, en het tweede over de maatregelen en het beleid van de lidstaten om de groeifactoren kennis en innovatie te bevorderen (micro-economisch beleid *). De GREB gelden voor alle lidstaten; zij zullen worden aangevuld met het "Communautair Lissabon-programma 2005-2008".

De staat van de EU-economie

Allereerst wordt in de aanbeveling een overzicht gegeven van de huidige economische bedrijvigheid in Europa. De economie, die vanaf midden 2003 was aangetrokken, verzwakte in de tweede helft van 2004 ten gevolge van externe factoren zoals de hoge en schommelende olieprijzen of de achterblijvende groei van de wereldhandel. De Raad stelt vast dat de geringe veerkracht van bepaalde Europese economieën voor een deel te wijten is aan structurele zwakheden. De groei van het bruto binnenlands product (BBP) zal in 2005 naar verwachting in een matig tempo voortgaan.

De groeicyclus bereikt wereldwijd zijn hoogtepunt en vlakt af door de stijgende wereldolieprijzen. De binnenlandse vraag in Europa zal als groeimotor aan belang winnen.

Structuurbeleid en macro-economisch beleid moeten worden bezien tegen de achtergrond van stijgende grondstoffenprijzen, met name de aardolieprijzen, en een neerwaartse druk op de industrieprijzen. De potentiële groeicijfers in de Unie zijn grotendeels afhankelijk van toenemend ondernemers- en consumentenvertrouwen, en van gunstige ontwikkelingen in de wereldeconomie, bijvoorbeeld in de aardolieprijzen en de wisselkoersen.

De stagnatie van het economisch herstel van de Europese Unie blijft een reden tot bezorgdheid, zelfs indien de werkloosheidscijfers zoals verwacht afnemen.

Macro-economisch beleid ter bevordering van groei en werkgelegenheid

De Raad wil een macro-economisch beleid om de voorwaarden te scheppen voor meer groei en werkgelegenheid en economische stabiliteit te garanderen. Het monetair beleid kan daaraan een bijdrage leveren door voor prijsstabiliteit te zorgen.

In de aanbeveling worden zes richtsnoeren vermeld die de lidstaten moeten respecteren in hun economisch beleid en die bedoeld zijn om:

  • te zorgen voor op duurzame groei gerichte economische stabiliteit. De lidstaten moeten hun middellangetermijnbegrotingsdoelstellingen overeenkomstig het stabiliteits- en groeipact in acht nemen. Zij dienen zich te onthouden van een procyclisch begrotingsbeleid, dat wil zeggen meer uitgeven in tijden van een buitensporig tekort wanneer het tegendeel, namelijk de overheidsuitgaven terugdringen, noodzakelijk is. De lidstaten met een buitensporig tekort dienen effectieve maatregelen te nemen om dit op korte termijn te corrigeren en zo nodig structurele hervormingen door te voeren;
  • houdbare economische situaties en begrotingssituaties als basis voor meer werkgelegenheid te waarborgen. De lidstaten moeten, met het oog op de verwachte kosten van de vergrijzing van hun bevolking tot schuldreductie komen om de openbare financiën te consolideren en hun pensioen-, socialezekerheids- en gezondheidszorgstelsels te versterken zodat deze financieel levensvatbaar, sociaal adequaat en toegankelijk blijven. Bovendien moeten zij maatregelen treffen om de arbeidsparticipatie onder vrouwen, jongeren en ouderen te vergroten;
  • een efficiënte, op groei en werkgelegenheid gerichte allocatie van productiemiddelen te bevorderen. De lidstaten moeten de samenstelling van de overheidsuitgaven ombuigen naar groeibevorderende uitgavencategorieën. Ook de fiscale structuren moeten worden aangepast om het groeipotentieel te versterken. Er moeten mechanismen worden ingevoerd voor het beoordelen van de relatie tussen overheidsuitgaven en het verwezenlijken van beleidsdoelstellingen, waarbij wordt toegezien op de samenhang van de hervormingsmaatregelen;
  • ervoor te zorgen dat de loonontwikkelingen bijdragen tot economische stabiliteit. De lidstaten moeten de juiste randvoorwaarden voor loononderhandelingen scheppen zonder afbreuk te doen aan de rol van de sociale partners. Dit moet ertoe leiden dat de ontwikkeling van de nominale lonen en de arbeidskosten in overeenstemming is met prijsstabiliteit en de ontwikkeling van de productiviteit op de middellange termijn;
  • meer samenhang tussen macro-economisch beleid, structuurbeleid en werkgelegenheidsbeleid te bevorderen. De lidstaten moeten op de arbeidsmarkt en de productmarkt hervormingen doorvoeren die het groeipotentieel verhogen. Zij moeten het macro-economisch kader ondersteunen door het vergroten van de flexibiliteit, de mobiliteit van productiefactoren en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt en de productmarkten ten aanzien van mondialisering, technologische vooruitgang, vraagverschuivingen en conjunctuurschommelingen. Zij zouden de hervorming van belasting- en uitkeringsstelsels een nieuwe impuls moeten geven om prikkels te verbeteren en werken lonend te maken; voorts moeten zij het vermogen van arbeidsmarkten om zich aan te passen aan de economische eisen verbeteren door arbeidsflexibiliteit en werkzekerheid te combineren en in menselijk kapitaal te investeren;
  • bij te dragen tot de dynamiek en de goede werking van de EMU. De lidstaten van de eurozone moeten zorgen voor een betere coördinatie van hun economisch beleid en hun begrotingsbeleid, in het bijzonder door:

- aandacht te schenken aan de budgettaire houdbaarheid van hun openbare financiën;

- bij te dragen tot een beleidsmix die het economisch herstel op lange termijn ondersteunt en verenigbaar is met prijsstabiliteit en daardoor het ondernemers- en het consumentenvertrouwen versterkt;

- voort te gaan met structurele hervormingen;

- ervoor te zorgen dat de invloed van de eurozone op het mondiale economische bestel in verhouding staat tot haar economische gewicht.

Micro-economische hervormingen om het groeipotentieel te versterken

Volgens de Raad moet de versterking van het groeipotentieel van de Europese Unie geschieden door het scheppen van werkgelegenheid en de groei van de productiviteit. Een kernfactor voor groei zijn investeringen op de gebieden onderzoek, ontwikkeling, innovatie en onderwijs. De internationale dimensie van deze gebieden in termen van gemeenschappelijke financiering en het wegnemen van belemmeringen voor de mobiliteit van onderzoekers en studenten moet krachtiger worden aangepakt. De Raad heeft tien richtsnoeren voor micro-economische hervormingen ter versterking van het groeipotentieel, namelijk:

  • de investeringen in onderzoek en ontwikkeling verhogen en verbeteren. De ondernemingen zouden centraal moeten staan bij het verhogen en verbeteren van investeringen op deze gebieden. De Raad bevestigt als algemene doelstelling een investeringsniveau van 3 % van het bruto binnenlands product in 2010. Dit investeringsniveau moet worden bereikt met een juiste verdeling tussen particuliere en publieke investeringen. De lidstaten dienen de ontwikkeling voort te zetten van een maatregelenmix ter bevordering van O&O, in het bijzonder door:

- te zorgen voor betere randvoorwaarden en een aantrekkelijk bedrijfsklimaat met voldoende mededinging;

- de publieke O&O-uitgaven effectiever en efficiënter te maken;

- publiek-private partnerschappen (PPP's) te ontwikkelen;

- ontwikkeling en versterking van de expertisecentra van onderwijs- en onderzoeksinstellingen;

- verbetering van technologieoverdracht tussen onderzoeksinstellingen;

- ontwikkeling en betere benutting van prikkels met hefboomwerking voor meer particulier O&O;

- een moderner bestuur van onderzoeksinstellingen en universiteiten; en

- een voldoende instroom van gekwalificeerde onderzoekers te bevorderen;

  • alle vormen van innovatie faciliteren. De lidstaten zouden zich moeten toeleggen op verbetering van de diensten die innovatie ondersteunen, in het bijzonder voor verspreiding en overdracht van technologie, de oprichting van innovatiecentra waarin onderzoeksinstellingen, universiteiten, enz. worden samengebracht. Bovendien worden de lidstaten geacht maatregelen te nemen om grensoverschrijdende kennisoverdracht en openbaarmaking van de overheidsopdrachten voor innovatieve producten en diensten te stimuleren. De toegang tot binnenlandse en internationale financieringsbronnen moet beter. Om intellectuele-eigendomsrechten te doen gelden moeten efficiënte en betaalbare middelen worden geboden;
  • de verspreiding en effectieve toepassing van informatie- en communicatietechnologie (ICT) faciliteren en een volledig inclusieve informatiemaatschappij opbouwen. De lidstaten moeten een brede toepassing van ICT door overheidsdiensten, het MKB en huishoudens aanmoedigen. Zij moeten de randvoorwaarden voor de vereiste veranderingen in de arbeidsorganisatie van de economie creëren en een sterke aanwezigheid van het Europese bedrijfsleven in de ICT-industrie bevorderen. De lidstaten dienen ook te zorgen voor stabiliteit en netwerk- en inhoudbeveiliging;
  • de concurrentievoordelen van zijn industriële basis versterken. Europa moet een modern en actief industriebeleid voeren en daarvoor moeten de concurrentievoordelen van de industriële basis worden versterkt. Dit omvat de totstandbrenging van aantrekkelijke randvoorwaarden voor de industrie, de versterking van de factoren voor het concurrentievermogen om de uitdagingen van de mondialisering aan te kunnen, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de ontwikkeling van nieuwe markten door het bevorderen van nieuwe technologische initiatieven op basis van publiek-private partnerschappen en de ontwikkeling van bedrijfsclusters binnen de Unie;
  • duurzaam gebruik van hulpbronnen aanmoedigen en de bescherming van het milieu versterken. De lidstaten moeten voorrang geven aan energie-efficiëntie en de ontwikkeling van duurzame (ook hernieuwbare) energie en zorgen voor een snelle verspreiding van milieuvriendelijke technologieën op Europees en mondiaal niveau. De lidstaten dienen het MKB specifieke aandacht te geven en subsidies af te schaffen die schadelijke gevolgen hebben voor het milieu en onverenigbaar zijn met duurzame ontwikkeling. De bescherming van het milieu moet worden voortgezet, bijvoorbeeld op het gebied van het tegengaan van het verlies aan biologische diversiteit vóór 2010, de klimaatverandering en de tenuitvoerlegging van de Kyoto-doelstellingen (EN);
  • de interne markt uitbreiden en verdiepen. Hiertoe moeten de lidstaten de omzetting van de internemarktrichtlijnen bespoedigen, prioriteit verlenen aan strengere en efficiëntere handhaving van de internemarktwetgeving, de Europese regelgeving effectief toepassen, een interne markt voor diensten bevorderen, de integratie van de financiële markten bespoedigen, enz.;
  • zorgen voor open en concurrerende markten om in te spelen op de mondialisering. Om de voordelen van de mondialisering te kunnen benutten, moeten de lidstaten voorrang verlenen aan het wegnemen van wettelijke belemmeringen en handelsbelemmeringen voor de mededinging. Het mededingingsbeleid dient beter gehandhaafd te worden en staatssteun dient te worden afgebouwd. De openstelling van en mededinging op de markten verloopt ook via investeringen in onderzoek en ontwikkeling zoals hierboven is beschreven. De lidstaten dienen zich naar buiten toe open te stellen, vooral in een multilaterale context;
  • een bedrijfsklimaat met meer mededinging creëren. De Raad beveelt de lidstaten aan te zorgen voor meer mededinging tussen bedrijven en door betere regelgeving het particulier initiatief aan te moedigen. De Raad vraagt de lidstaten de administratieve lasten voor ondernemingen, en in het bijzonder voor het MKB, te verminderen, de kwaliteit van de regelgeving te verbeteren en ondernemingen aan te moedigen meer maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen;
  • de ondernemersgeest aanmoedigen en een voor het MKB gunstig klimaat in het leven roepen. Hiertoe moeten de lidstaten de toegang tot financiering verbeteren om de oprichting en groei van kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen. Een gunstig klimaat betekent ook een vereenvoudiging van de belastingregelingen en een vermindering van de indirecte arbeidskosten. Bovendien moet het innovatieve potentieel van het MKB worden versterkt, bijvoorbeeld door daartoe strekkende ondersteunende diensten te verlenen. Zij moeten hun nationale faillissementswetgevingen en de procedures rond eigendomsoverdracht aan een herziening onderwerpen om de nog voortdurende belemmeringen weg te nemen.
  • Europese infrastructuren verbeteren. Krachtige en moderne infrastructuren zijn een belangrijke factor om de mobiliteit van personen, goederen en diensten binnen de Unie te faciliteren. Het bestaan van infrastructuren is dikwijls van doorslaggevende aard voor ondernemingen op zoek naar vestigingsmogelijkheden. De lidstaten dienen te zorgen voor adequate voorwaarden voor de ontwikkeling van dit soort infrastructuur. De ontwikkeling van partnerschappen tussen de overheid en de particuliere sector moet worden overwogen, terwijl de lidstaten ten slotte moeten nadenken over correcte tariefsystemen voor het gebruik van de infrastructuur.
Belangrijkste begrippen
Macro-economisch beleid: deze term omvat het beleid dat geacht wordt "grootschalige" economische factoren zoals het prijsniveau, de werkloosheidscijfers, het groeipotentieel, het bruto binnenlands product, en dergelijke, te beïnvloeden.
Micro-economisch beleid: deze term omvat de beleidsvormen die sturing willen geven aan besluiten van economische aard van bijvoorbeeld natuurlijke of rechtspersonen.

GERELATEERDE BESLUITEN

Aanbeveling 2007/209/EG van de Raad van 27 maart 2007 inzake de actualisering voor 2007 van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap en inzake de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten [Publicatieblad l 92 van 03.04.2007].
De Raad verzoekt de lidstaten te handelen volgens de richtsnoeren in deze aanbeveling, waarmee wordt beoogd de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten voor 2007 te actualiseren. De richtsnoeren die zijn opgenomen in de bijlage bij het document, bevatten specifieke aanbevelingen voor iedere lidstaat.

De lidstaten moeten in hun volgende jaarverslag over de uitvoering van de nationale hervormingsprogramma's in het kader van de Lissabon-strategie verslag uitbrengen over de opvolging van deze acties.

Laatste wijziging: 03.04.2007

Zie ook

Gelieve de navolgende internetsites te raadplegen voor meer informatie:

  • DG Economische en financiële zaken (EN).
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven