RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Globale richtsnoeren voor het economisch beleid (2001)

Archief

1) DOEL

Verbetering van de voorwaarden voor economische groei en toename van de werkgelegenheid door een economische beleidsstrategie die enerzijds gebaseerd is op een macro-economisch beleid dat op groei en stabiliteit is gericht en anderzijds op structurele hervormingen ten behoeve van een duurzame, werkscheppende en niet-inflatoire groei, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met duurzame ontwikkeling.

2) MAATREGEL

Aanbeveling van de Raad van 15 juni 2001 betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap [Publicatieblad Nr. L 179 van 02.07.2001].

3) SAMENVATTING

Algemeen kader. De globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB) van het jaar 2001 bevestigen de economische strategieën van de richtsnoeren van voorgaande jaren en breiden deze verder uit in het licht van de conclusies van de Europese Raad van Stockholm van maart 2001. Een centrale doelstelling van de Europese Unie (EU) blijft het bewerkstelligen van volledige werkgelegenheid, teneinde onder meer het hoofd te kunnen bieden aan de uitdaging van de vergrijzing. Daarnaast wilde de Europese Raad de bevordering van duurzame ontwikkeling integreren in de GREB.
Een nauwe coördinatie tussen alle politieke actoren en een dialoog tussen de Raad, de Eurogroep en de Europese Centrale Bank (ECB), waarbij ook de Commissie is betrokken, zijn, vooral voor de lidstaten van de eurozone, van essentieel belang voor een harmonieuze economische ontwikkeling.

Voornaamste prioriteiten en beleidsvereisten

Recente en toekomstige economische ontwikkelingen. Sinds de goedkeuring van de vorige richtsnoeren is het mondiale economische klimaat duidelijk achteruit gegaan. De verwachting is dat deze verslechtering van vrij korte duur zal zijn, maar de kans op een minder gunstig verloop is aanzienlijk. Deze achteruitgang wordt veroorzaakt door drie ontwikkelingen: ten eerste zijn de olieprijzen in het najaar van 2000 sterk gestegen en zullen deze naar verwachting relatief hoog blijven. Ten tweede is er in de economische situatie van de Verenigde Staten en Japan een forse verslechtering opgetreden. Deze ontwikkeling heeft ook gevolgen voor de economische groei van een aantal markteconomieën in opkomst. Ten derde zijn de mondiale effectenmarkten zeer volatiel gebleven en heeft een sterke correctie plaatsgevonden, vooral voor de technologiewaarden. Dit weerspiegelt het feit dat de beleggers hun winstverwachtingen voor de lange termijn naar beneden hebben bijgesteld.
Het tweede jaar van de Economische en Monetaire Unie kan (EMU) kan uiteindelijk toch geslaagd worden genoemd. De eurozone kende in 2000 de sterkste economische groei en de laagste werkloosheid in tien jaar. Daarna hebben de stijgende olieprijzen en de achteruitgang van de mondiale vraag gezorgd voor een achteruitgang van de economische groei. Desondanks zal de eurozone in de jaren 2001 en 2002 naar verwachting een relatief sterke groei van zo'n 2,75 % te zien geven. De sterk verbeterde macro-economische basisvoorwaarden hebben, in combinatie met gematigde loonsverhogingen, geleid tot een gunstig groeipatroon, dat zijn oorsprong voor een belangrijk deel vindt in de binnenlandse vraag. De eurozone is dankzij de omvangrijke interne markt met een gemeenschappelijke munt minder kwetsbaar en biedt een stabiele basis voor groei.
De lidstaten die niet tot de eurozone behoren - Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zweden - ondervinden eveneens de gevolgen van de ongunstige ontwikkelingen in de wereldeconomie. Flink gevorderde structurele hervormingen en een gezonde binnenlandse vraag zouden in deze landen echter een tegenwicht moeten kunnen bieden tegen het verslechterende externe klimaat.

Uitdagingen op korte termijn. Het doel is de economische groei en de toename van de werkgelegenheid in stand te houden. Nu het mondiale economische klimaat ongunstiger wordt, zijn de EU en de eurozone steeds meer aangewezen op hun eigen kracht. Om de interne groeidynamiek te versterken, zijn een op groei en stabiliteit gericht macro-economisch beleid en structurele hervormingen van cruciaal belang. Op die manier kan het vertrouwen van het bedrijfsleven en van de consumenten worden vergroot.
Het begrotingsbeleid moet erop gericht zijn vraagoverschotten te vermijden. Op deze wijze wordt de prijsstabiliteit ondersteund en kan een monetair klimaat worden geschapen dat gunstig is voor groei en werkgelegenheid. Het bereiken van begrotingssituaties die nagenoeg in evenwicht zijn of zelfs een overschot vertonen moet een hoofddoel blijven van het begrotingsbeleid.
De lidstaten, vooral die welke reeds kampen met knelpunten op de arbeidsmarkt, moeten doorgaan met een beleid van loonmatiging. De EMU legt nieuwe verantwoordelijkheden op aan de regeringen en sociale partners. Zij moeten bijdragen aan een evenwichtige macro-economische beleidsmix op nationaal niveau en op het niveau van de eurozone. Daarnaast kan een verantwoorde combinatie van structurele hervormingen ervoor zorgen dat de economie beter in staat is schokken op te vangen.

Uitdagingen op middellange termijn. Het hoofddoel is het verstevigen van de basis voor toekomstige groei en werkgelegenheid. Hoewel de productiviteitsstijgingen hebben bijgedragen aan een verbetering van het groeipotentieel in de laatste jaren, wordt dit nog ontoereikend geacht om een jaarlijkse groei van 3 % over een langere periode te dragen. De EU moet dan ook de marktwerking verbeteren door de zwakten of onvolkomenheden ervan weg te nemen. Op die manier kan een betere benutting van productiemiddelen worden gerealiseerd. Met name het menselijk potentieel wordt momenteel onderbenut in de EU, met een nog onaanvaardbaar hoge werkloosheid en een relatief lage participatiegraad, vooral van ouderen en vrouwen.
De regelgeving en de instanties voor de arbeidsmarkt moeten dus worden aangepast teneinde de daarin aanwezige belemmeringen voor het aanbod van of de vraag naar arbeid minder groot te maken. Het regelgevingskader moet mensen aanmoedigen om te gaan werken of te blijven werken. Daartoe moeten de belasting- en uitkeringsstelsels worden hervormd. De stijging van het arbeidsaanbod moet gepaard gaan met een verbetering van het investeringsklimaat. Om dat te bereiken geeft de EU voorrang aan de voltooiing van de interne markt, vooral voor diensten, de financiële sector en de netwerkindustrieën. Daarnaast is het nodig ondernemerschap en innovatie te bevorderen teneinde het groeipotentieel in Europa te vergroten; dit is een centraal element in de strategie van Lissabon. Met hetzelfde doel wordt de lidstaten gevraagd particuliere investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) te stimuleren.
Op mondiaal niveau vindt de bevordering van de concurrentie haar logische tegenhanger in het voeren van een gemeenschappelijk handelsbeleid dat de openstelling van markten evenals een nieuwe multilaterale ronde van handelsbesprekingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bevordert.

Uitdagingen op lange termijn. Op de langere termijn vormt de vergrijzing van de bevolking de grootste uitdaging voor de EU. In 2050 zal de beroepsbevolking in de EU met 40 miljoen zijn gedaald, terwijl het aantal afhankelijke ouderen zal zijn verdubbeld. De effecten hiervan op de overheidsfinanciën zijn in sommige lidstaten nu al merkbaar. De overheidsuitgaven voor pensioenen en de gezondheidszorg zullen naar verwachting aanzienlijk stijgen, en dit zal belangrijke gevolgen hebben voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.
De vergrijzing van de bevolking zal dus gevolgen hebben voor het potentiële arbeidsaanbod en de totale besparingen en zal daarmee implicaties hebben voor de economische groei. Er zijn ambitieuze strategieën nodig om het hoofd te bieden aan de economische en budgettaire uitdaging: zo moet het pensioenstelsel hervormingen ondergaan door bijvoorbeeld een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Er zou kapitaaldekking voor de overheidspensioenen moeten worden ingevoerd, evenals met particuliere middelen gefinancierde aanvullende pensioenregelingen.

Algemene aanbevelingen

Tenuitvoerlegging van het macro-economisch beleid:

  • begrotingen tot stand brengen die nagenoeg in evenwicht zijn of een overschot vertonen, teneinde over een toereikende marge te beschikken om het effect van ongunstige conjunctuurschommelingen op te vangen;
  • een procyclisch begrotingsbeleid vermijden;
  • in bepaalde lidstaten inflatie en oververhitting van de economie vermijden door een krapper begrotingsbeleid, loonmatiging en structurele hervormingen;
  • erop toezien dat de loonstijgingen verenigbaar zijn met prijsstabiliteit, dat de lonen niet sneller stijgen dan de productiviteit en dat ze de productiviteitsverschillen tussen beroepen, kwalificaties en regio's in aanmerking nemen.

Kwaliteit en houdbaarheid van de openbare financiën:

  • de belasting- en uitkeringsstelsels werkgelegenheidsvriendelijker maken door een verlaging van de totale belastingdruk, met name op lage inkomens;
  • de overheidsuitgaven bijsturen in de richting van de accumulatie van fysiek en menselijk kapitaal en van onderzoek en ontwikkeling;
  • de doeltreffendheid van de overheidsuitgaven vergroten door institutionele en structurele hervormingen, met name op het gebied van uitgavenbeheersing;
  • de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn verbeteren door een strategie die gericht is op verhoging van de werkgelegenheid, een snelle afbouw van de overheidsschuld en hervormingen van het pensioenstelsel en de gezondheidszorg;
  • streven naar fiscale coördinatie teneinde nadelige belastingconcurrentie te voorkomen;
  • een strenge begrotingsdiscipline in acht nemen op het niveau van de Gemeenschap.

Arbeidsmarkt:

  • de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid en de aanbevelingen die de Raad tot de lidstaten heeft gericht, ten uitvoer leggen;
  • een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en oudere werknemers bevorderen;
  • zorgen dat de belasting- en uitkeringsstelsels werken lonend maken en dat de belastingen op arbeid worden verlaagd;
  • de belemmeringen voor arbeidsmobiliteit binnen en tussen lidstaten opheffen, onder andere door de wederzijdse erkenning van kwalificaties en verbetering van de overdraagbaarheid van pensioenrechten;
  • verandering van werkkring gemakkelijker maken door onderwijs, opleiding en een leven lang leren;
  • de efficiency verbeteren van de actieve arbeidsmarktmaatregelen gericht op degenen die het meeste risico van langdurige werkloosheid lopen;
  • een flexibeler werkorganisatie bevorderen, met name wat betreft de werktijden en het regelgevings-, contractuele en wettelijke kader;
  • loonverschillen op grond van geslacht als gevolg van feitelijke discriminatie verminderen.

Productmarkten (goederen en diensten):

  • de interne markt volledig tot stand brengen door het omzetten van een groter aantal richtlijnen, het opheffen van technische handelsbelemmeringen en regelgevingsbelemmeringen op de markt voor diensten en de verdere openstelling van de markt voor overheidsopdrachten;
  • de concurrentie versterken door de netwerkenindustrieën (energie, spoorwegen, luchtvervoer, postdiensten) sneller te liberaliseren, door te zorgen voor daadwerkelijke onafhankelijkheid en doeltreffendheid van de mededingingsautoriteiten en door het totale niveau van de overheidssteun in verhouding tot het bruto binnenlands product (BBP) verlagen.

Efficiency en integratie van de EU-markt voor financiële diensten:

  • de goedgekeurde aanpak voor de wetgeving met betrekking tot de effectenmarkten ten uitvoer leggen;
  • het Actieplan voor Financiële Diensten (APFD) tussen nu en 2005 ten uitvoer leggen, met name om eind 2003 een geïntegreerde effectenmarkt tot stand te brengen;
  • een risicokapitaalmarkt tot stand brengen door uiterlijk in 2003 het Actieplan voor Risicokapitaal (APRK) ten uitvoer te leggen;
  • in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht regelingen voor sector- en grensoverschrijdend toezicht verbeteren met het oog op de toename van de grens- en sectoroverschrijdende betrekkingen.

Ondernemerschap:

  • een gunstig klimaat voor ondernemers tot stand brengen door de administratieve belemmeringen voor ondernemingen te verminderen, nutsvoorzieningen efficiënter te maken en de BTW-stelsels te vereenvoudigen en op een meer uniforme wijze toe te passen;
  • de toegang tot financiering vergemakkelijken, vooral voor starters in het MKB.

Kenniseconomie:

  • O&O en innovatie stimuleren, onder andere door de intellectuele-eigendomsrechten stringenter te maken en overeenstemming te bereiken over de verlening van het Gemeenschapsoctrooi, door de banden tussen de universitaire wereld en het bedrijfsleven te verstevigen, door het bevorderen van de samenwerking in Europa via netwerken van "centres of excellence" en door te zorgen voor voldoende overheidsfinanciering;
  • de toegang tot en het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) bevorderen door de ontbundeling van het aansluitnet om de kosten van het gebruik van internet te verlagen, door te zorgen voor een meer verbreid gebruik van internet op scholen en bij de overheid en door het regelgevingskader voor de elektronische handel te verbeteren;
  • meer inspanningen leveren op het gebied van onderwijs en opleiding zodat er meer deskundigen beschikbaar komen en de ICT-vaardigheden van de burgers worden verbeterd, en het vermogen van onderwijsstelsels om in te spelen op veranderende behoeften, verbeteren.

Duurzame ontwikkeling:

  • de door de Europese Raad van Göteborg overeengekomen strategie voor duurzame ontwikkeling ten uitvoer leggen;
  • op marktwerking gebaseerde beleidsmaatregelen, zoals belastingen en door de gebruiker en de vervuiler te betalen heffingen, invoeren en versterken;
  • sectorale subsidies en belastingvrijstellingen afbouwen;
  • meer gebruik maken van economische instrumenten om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen teneinde aan de eisen van het Protocol van Kyoto te voldoen;
  • overeenstemming bereiken over een adequaat kader voor de belastingheffing op energie op Europees niveau en voor de totstandbrenging van één interne energiemarkt.

RICHTSNOEREN VAN HET ECONOMISCH BELEID PER LAND

België: Na een economische groei van 4 % in 2000 wordt in 2001 en 2002 een reële groei verwacht van ongeveer 3 %. In 2000 is België erin geslaagd een begrotingsevenwicht te bereiken. Voor 2001 verwacht de overheid een begrotingsoverschot van 0,2 %, en voor 2002 een overschot van 0,3 %. De Belgische overheid moet erop toezien dat het begrotingsoverschot zoals vastgesteld in het stabiliteitsprogramma, wordt verwezenlijkt en dat de uitgavenstijging binnen de gestelde limiet blijft. In 2002 en daarna moet de begrotingsruimte worden gebruikt voor het verminderen van de schuld.
Om het land voor te bereiden op de vergrijzing van de bevolking moet het pensioenstelsel hervormd worden. Op de arbeidsmarkt moeten de belasting- en uitkeringsstelsels worden hervormd. Bovendien moeten de arbeidsmarktflexibiliteit en de mobiliteit van de arbeidskrachten worden vergroot.
De concurrentie in de sectoren vervoer, gas en elektriciteit moet gestimuleerd worden. België wordt aangemoedigd om de doorzichtigheid van de relaties tussen de openbare en particuliere sector te vergroten, met name op lokaal niveau, en om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verlichten. De risicokapitaalmarkt moet verder worden ontwikkeld.

Denemarken: De economische groei zal in 2001 naar verwachting dalen tot iets meer dan 2 %. Volgens de overheid zal het Deense begrotingsoverschot in 2001 toenemen tot 2,8 % van het BBP en in 2002 tot 2,6 %. Denemarken dient de stijging van de overheidsconsumptie in 2001 en op de middellange termijn strikt te beperken en ruime overschotten in de overheidsfinanciën te handhaven.
Om ervoor te zorgen dat de arbeidsmarktresultaten van Denemarken tot de beste van de EU blijven behoren, dient de overheid de totale belastingdruk op arbeid nog verder te verlichten, met name wat betreft de lage en middelhoge lonen, en de hervorming van de overdrachtsstelsels voort te zetten. De overheid dient de mededingingsvoorschriften krachtiger toe te passen en de concurrentie op het gebied van overheidsopdrachten te verbeteren, en ook de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen door verdere aanpassing van het fiscaal kader teneinde de investeringen te bevorderen.

Duitsland: De economische groei in Duitsland zal in 2001 2,25 % bedragen en in 2002 2,5 %. Zonder de UMTS ( (DE) (EN) (ES) (FR))-opbrengsten is het overheidstekort in 2000 gedaald naar 1,0 % van het BBP. Volgens het stabiliteitsprogramma en als gevolg van de belastinghervorming zal het tekort in 2001 naar verwachting met 0,5 % toenemen en in 2004 tot nul worden teruggebracht. De overheid zal erop moeten toezien dat de geplande tekorten worden gehaald. Als de belastingopbrengsten hoger uitvallen dan geraamd, moeten deze worden gebruikt om het tekort terug te dringen. Het is van belang de samenwerking tussen de verschillende overheidsniveaus te versterken teneinde een nationaal stabiliteitspact tot stand te brengen. De overheid wordt ertoe opgeroepen de hervormingen van het pensioenstelsel en de gezondheidszorg voort te zetten.
De actieve arbeidsmarktprogramma's zullen doelmatiger moeten worden gemaakt en zich moeten richten op langdurige werkloosheid. Door hervormingen van belastingen moet werken lonend worden. Bovendien wordt Duitsland aanbevolen de indirecte arbeidskosten terug te dringen. De concurrentie op de productmarkten en de markten voor overheidsopdrachten kan versterkt worden. Het hoger onderwijs moet worden hervormd om de tekorten aan gekwalificeerd ICT-personeel terug te dringen. De Duitse overheid wordt ertoe opgeroepen de risicokapitaalmarkt verder te ontwikkelen.

Griekenland: De economische bedrijvigheid in Griekenland zal in 2001 naar verwachting nog sneller groeien en in 2002 4,8 % bedragen. Volgens het stabiliteitsprogramma zal de Griekse begroting in 2001 een overschot van 0,5 % vertonen, en in 2002 een overschot van 1,5 %. In haar begrotingspolitiek 2001/02 moet de overheid zich op prijsstabiliteit richten, de hervorming van de overheidssector voortzetten om de omvang ervan op middellange termijn te beperken en de hervorming van de sociale zekerheid bespoedigen om te zorgen dat het systeem houdbaar blijft.
Griekenland dient hervormingen op de arbeidsmarkt door te voeren door met name de restrictieve wetgeving inzake arbeidsbescherming te versoepelen en werken in de formele sector meer te stimuleren. De lonen moeten meer in overeenstemming worden gebracht met de productiviteit en de lokale arbeidsmarktvoorwaarden. Daarnaast wordt het land aanbevolen meer te investeren in onderwijs en opleiding.
De overheid wordt ertoe opgeroepen de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verlichten en maatregelen te nemen om investeringen in O&O en de verspreiding van ICT te bevorderen. Bovendien moet de liberalisatie van de gassector en de sector zeevervoer worden bespoedigd. De risicokapitaalmarkten moeten verder worden ontwikkeld, met name door de versoepeling van de beperkingen voor institutionele beleggers.

Spanje: De economische groei in Spanje zal in 2001 naar verwachting een vertraging vertonen in vergelijking met de voorgaande jaren en zich in 2002 licht herstellen. Volgens het stabiliteitsprogramma zal de begroting in 2001 in evenwicht zijn en tegen 2004 een overschot vertonen van 0,3 %. De Spaanse overheid dient de lopende uitgaven terug te dringen om in 2001 een begrotingsevenwicht te bereiken en de inflatiedruk op te vangen. De voor 2002 geplande belastinghervorming mag de begrotingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. De pensioenfondsreserve moet worden verhoogd.
Wat de arbeidsmarkt aangaat, wordt Spanje opgeroepen de loonvorming te hervormen zodat hierin beter rekening wordt gehouden met productiviteitsverschillen, te investeren in onderwijs en opleiding, de actieve arbeidsmarktmaatregelen beter af te stemmen op behoeften van de arbeidsmarkt en maatregelen te nemen om een evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid te bereiken. Daarnaast wordt aanbevolen de ICT-basisvaardigheden van de bevolking te vergroten en het aanbod van hoog gekwalificeerd personeel uit te breiden. Het regelgevingskader voor het MKB moet worden vereenvoudigd. Bovendien wordt de overheid opgeroepen tot het ontwikkelen van de risicokapitaalmarkt door met name de beperkingen voor de institutionele beleggers te verminderen.

Frankrijk: Voor de jaren 2001 en 2002 wordt een lichte economische groei verwacht van iets minder dan 3 %. Het overheidstekort van 2000 heeft een niveau bereikt dat lager is dan het streefcijfer. Volgens het stabiliteitsprogramma zal het tekort nog verder worden verminderd en zal in 2004 een overschot worden bereikt. Om dit doel te bereiken moet de regering de overheidsuitgaven in 2001 en daarna nauwlettend bewaken en alle beschikbare ruimte gebruiken om de begrotingssituatie te verbeteren met het oog op de uitdagingen op de lange termijn. Zo wordt de overheid ertoe opgeroepen de hervorming van het pensioenstelsel voort te zetten.
Op de arbeidsmarkt dient Frankrijk de recente hervormingen van de belastingen en de sociale zekerheid te consolideren en bijzondere aandacht te besteden aan de regelingen voor vervroegde uittreding en de inkomensgarantieregelingen. Het land wordt aanbevolen de effecten van de 35-urige werkweek nauwgezet te blijven volgen en de arbeidsbescherming te hervormen. De netwerkindustrieën, met name in de sectoren gas en elektriciteit, moeten geliberaliseerd worden. Frankrijk wordt opgeroepen de staatssteun te verminderen, de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verlichten en de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen, met name door minder beperkingen op te leggen aan institutionele beleggers.

Ierland: De zeer snelle economische groei van Ierland zal in 2001 en 2002 naar verwachting enigszins vertragen. Het stabiliteitsprogramma verwacht voor de periode 2001-2003 een begrotingsoverschot van zo'n 4,2 % van het BBP. De overheidsfinanciën zijn gezond. De Raad heeft Ierland echter in februari een aanbeveling gedaan vanwege het feit dat de begroting van 2001 te zeer op groei zou zijn gericht. De overheid wordt er dan ook toe opgeroepen om compenserende maatregelen te nemen om de begrotingsplannen voor 2001 beter af te stemmen op de GREB van 2000 en om voor 2002 een begroting op te stellen die het tempo van de vraag afremt. Ook dient zij de uitgaven strikter te beheersen. De investeringen in infrastructuur, menselijk kapitaal en O&O moeten worden vermeerderd zonder dat hiermee de stabiliteit van de begroting in gevaar wordt gebracht.
De Ierse overheid moet ervoor zorgen dat de loonontwikkelingen verenigbaar blijven met het behoud van prijsstabiliteit en dat de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt wordt verhoogd. Er zijn maatregelen nodig om bepaalde marktsegmenten meer open te stellen voor concurrentie, met name in de sectoren vervoer, elektriciteit en gas, om de O&O-uitgaven te verhogen en om de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen.

Italië: De economische bedrijvigheid in Italië zal in 2001 een vertraging ondergaan, maar zal zich in 2002 weer herstellen. Volgens het stabiliteitsprogramma zal het begrotingstekort in 2001 en 2002 teruglopen en zal in 2003 het evenwicht worden bereikt. De overheid moet ervoor zorgen dat deze doelstellingen worden verwezenlijkt en met name dat inkomstenverliezen ten gevolge van belastingverlagingen door uitgavenbesnoeiingen en stroomlijningen worden gecompenseerd. Elke mogelijkheid moet worden aangegrepen om de hoge schuldquote sneller terug te dringen. Het binnenlandse stabiliteitspact moet worden versterkt om de uitgaven op alle overheidsniveaus onder controle te krijgen. Om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te garanderen moet het pensioenstelsel onder de loep worden genomen.
Wat de arbeidsmarkt betreft, wordt Italië ertoe opgeroepen ervoor te zorgen dat de loonontwikkelingen de productiviteit beter weerspiegelen, dat de arbeidsmarktflexibiliteit wordt vergroot en dat de belastingdruk op arbeid en de sociale premies worden verlicht, met name wat betreft de lage lonen. De overheid moet streven naar verhoging van de uitgaven op het gebied van O&O en de verspreiding van ICT, verdere liberalisering van de energiesector, verlichting van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven, versterking van de concurrentie en ontwikkeling van de risicokapitaalmarkt door met name de beperkingen voor institutionele beleggers te verminderen.

Luxemburg: De economische groei zal in 2001 en 2002 rond de 5 % liggen, en wordt ondersteund door een krachtige binnenlandse vraag. Het begrotingsoverschot zal in de loop van deze twee jaren dalen tot ongeveer 3 à 4 % van het BBP als gevolg van een belastinghervorming. De overheid moet de begrotingsvoorwaarden verscherpen om de inflatiedruk te kunnen opvangen en nauwgezet toezien op de overheidsuitgaven.
Op de arbeidsmarkt zal Luxemburg de participatiegraad, vooral van vrouwen en oudere werknemers, moeten verhogen. Het land wordt geadviseerd de hervorming van de mededingingswetgeving ten uitvoer te leggen en over te gaan tot afschaffing van door de overheid vastgestelde prijzen.

Nederland: De afgelopen jaren heeft Nederland een sterke macro-economische prestatie neergezet. In 2001 en 2002 zal de economische activiteit naar verwachting een groei doormaken van zo'n 3 %. Volgens het stabiliteitsprogramma zal het begrotingsoverschot in 2001 afnemen tot 0,7 % als gevolg van belastinghervormingen. De overheid dient de overheidsuitgaven onder controle te houden om de inflatiedruk te beteugelen, zodat de begroting in 2002 een hoger saldo vertoont dan in 2001. Begrotingsruimte moet worden benut om de verkleining van de staatsschuld te versnellen.
Op de arbeidsmarkt wordt de overheid ertoe opgeroepen het belasting- en uitkeringsstelsel verder te hervormen om werken aantrekkelijker te maken. Nederland dient het gebruik van ICT te stimuleren, het klimaat voor innovatie te bevorderen, de markten voor gas, elektriciteit, kabelnetwerken en openbaar vervoer verder open te stellen en de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen.

Oostenrijk: Voor 2001 wordt een groei van de economische activiteit van zo'n 2,5 % verwacht, en dit niveau zal in 2002 op peil blijven. Er wordt een begrotingsconsolidatieprogramma uitgevoerd. Volgens het stabiliteitsprogramma zal het overheidstekort dalen tot 0,75 % in 2001 en zal in 2002 een begrotingsevenwicht worden bereikt. De overheid wordt ertoe opgeroepen op alle overheidsniveaus strikt de hand te houden aan de begrotingen om de doelstellingen van het stabiliteitsprogramma te halen, in de loop van de volgende jaren de belastingdruk te verlichten zonder de begrotingsconsolidatie in gevaar te brengen en de pensioenstelsels en de gezondheidszorg te hervormen om de snel stijgende uitgaven af te remmen en de vergrijzing het hoofd te bieden.
Op de arbeidsmarkt zal Oostenrijk maatregelen moeten nemen om oudere werknemers te stimuleren te blijven werken. Bovendien wordt dit land geadviseerd de communautaire richtlijnen inzake overheidsopdrachten om te zetten en de markt voor overheidsopdrachten open te stellen voor concurrentie, de kenniseconomie te bevorderen, het aanbod van gekwalificeerd ICT-personeel te vergroten en de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen, met name door versoepeling van de beperkingen voor institutionele beleggers.

Portugal: Naar het zich laat aanzien zal de groei van de economische activiteit in 2001-2002 enigszins afvlakken tot iets meer dan 2,5 %. Volgens het stabiliteitsprogramma zal het tekort worden teruggedrongen tot 1,1 % in 2001 en tot 0,7 % in het jaar daarna. De overheid dient ervoor te zorgen dat het begrotingsdoel voor 2001 wordt gehaald. Daartoe moet zij de lopende uitgaven strikt onder controle houden, voor 2002 een begroting opstellen die zich richt op een snellere terugdringing van het tekort dan in het programma is voorzien, bij voorkeur door de beperking van de uitgaven, en de sociale zekerheid en de gezondheidszorg hervormen.
Wat de arbeidsmarkt betreft, wordt Portugal ertoe opgeroepen de investeringen in onderwijs en opleiding op te voeren, de kwaliteit van de arbeid te verbeteren en de arbeidsmarktinstellingen te moderniseren. Daarnaast heeft dit land het advies gekregen meer te investeren in O&O, de verspreiding van ICT verder te bevorderen, de staatssteun te beperken, de energiesector te liberaliseren en de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen, met name door versoepeling van de beperkingen voor institutionele beleggers.

Finland: Voor 2001 en 2002 zal de economische groei in Finland naar verwachting zo'n 4 % bedragen. De Finse begroting vertoont een groot begrotingsoverschot en volgens het stabiliteitsprogramma lijkt op de middellange termijn een overschot van ongeveer 4 % van het BBP binnen bereik te liggen. De overheid dient strikt vast te houden aan de uitgavendoelstellingen en moet in 2001 en de daaropvolgende jaren begrotingsoverschotten realiseren om voorbereid te zijn op de vergrijzing van de bevolking, waaraan Finland in het bijzonder is blootgesteld. Het op vermindering van de staatsschuld gerichte beleid moet worden voortgezet, en de effectieve pensioenleeftijd moet worden verhoogd.
Wat betreft de arbeidsmarkt wordt de overheid ertoe opgeroepen de belastingtarieven te verlagen, met name voor de lage inkomens, en in de uitkeringsstelsels meer stimulansen in te bouwen voor werknemers om banen aan te nemen en actief te blijven, en om de efficiëntie van de actieve arbeidsmarktprogramma's te verhogen. Bovendien wordt het land geadviseerd strenger toe te zien op de naleving van de voorschriften inzake overheidsaanbestedingen, de concurrentie in de bouw, de distributie en de mediasector aan te moedigen en de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen.

Zweden: Zweden heeft te maken met een vertraging van de economische activiteit en verwacht wordt dat de groei in 2001 2,7 % en in 2002 3 % zal bedragen. Volgens het convergentieprogramma worden voor deze twee jaren begrotingsoverschotten van 3,5 % en 3,3 % verwacht. De overheid wordt ertoe opgeroepen om in 2001 en de jaren daarna hoge begrotingsoverschotten te blijven realiseren, om in 2002 haar beleid van verlichting van de belastingdruk voort te zetten zonder daarbij het doel van een begrotingsoverschot van 2 % op middellange termijn uit het oog te verliezen, en om de overheidsschuld te verminderen.
Op de arbeidsmarkt wordt Zweden ertoe opgeroepen toe te zien op de doelmatigheid van de actieve arbeidsmarktprogramma's en de hervormingen van de belasting- en uitkeringsstelsels voort te zetten. Daarnaast moet strenger worden toegezien op de naleving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten en moet de concurrentie in de sectoren luchtvervoer en geneesmiddelen worden gestimuleerd. Bovendien wordt Zweden ertoe opgeroepen de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen door het belastingkader aan te passen.

Verenigd Koninkrijk: De economische groei zal in 2001 naar verwachting 2,7 % bereiken en in 2002 aantrekken tot 3 %. Uit de recente begrotingsprognoses voor het begrotingsjaar 2000-2001 komt een begrotingsoverschot van 1,7 % van het BBP (exclusief UMTS-opbrengsten) naar voren, dat in het daaropvolgende begrotingsjaar zal dalen naar 0,5 % en vervolgens zal omslaan in een licht tekort. De overheid moet ervoor zorgen dat de geplande resultaten worden gehaald en, zoals aangekondigd, de overheidsinvesteringen verdubbelen, terwijl tegelijkertijd aan de voorschriften van het stabiliteits- en groeipact wordt voldaan.
Op de arbeidsmarkt wordt het Verenigd Koninkrijk opgeroepen tot intensivering van de maatregelen die gericht zijn op de personen die het grootste risico lopen werkloos te worden en de uitkeringsregelingen te hervormen om de noodzakelijke aansporingen te geven. Daarnaast wordt aanbevolen de lage productiviteit aan te pakken, de concurrentie in bank- en postdiensten te intensiveren, het aanbod van gekwalificeerd ICT-personeel te verhogen, de investeringen in de sector openbaar vervoer te verhogen en de pensioenfondsen te stimuleren een belangrijkere rol te spelen in de ontwikkeling van de risicokapitaalmarkt.

4) TOEPASSINGSMAATREGELEN

5) VERDERE WERKZAAMHEDEN

Verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2001 [COM(2002) 93 def. - niet verschenen in het Publicatieblad].

Belangrijkste beleidsterreinen

Uitvoering van het macro-economisch beleid. Het macro-economische klimaat is in 2001, ten gevolge van een aantal economische schokken en de terroristische aanslagen van 11 september, veel verder verslechterd dan verwacht, waardoor tegen het eind van het jaar de economische groei tot stilstand kwam. De werkgelegenheidsgroei verslapte, maar er bleef sprake van groei en de inflatie is in de loop van het jaar teruggelopen.
Gezien de afnemende risico's voor de prijsstabiliteit hebben de monetaire autoriteiten de rentetarieven herhaaldelijk verlaagd. De begrotingssituatie is verslechterd als gevolg van de tragere groei van de economieën, onder invloed van de automatische stabilisatoren van de begroting en vanwege de belastinghervormingen die in bepaalde landen hebben plaatsgevonden. Het overheidstekort in de EU is gestegen van 0,1 % van het BBP in 2000 tot 0,5 % in 2001 en van 0,8 % tot 1,1 % voor de eurozone (zonder UMTS-opbrengsten). Alleen in Griekenland, Spanje, Italië en Oostenrijk is de situatie ten opzichte van die in 2000 verbeterd.
De ontwikkeling van de nominale lonen is in 2001 gematigd gebleven, maar in de eurozone stegen de reële lonen iets sterker dan de arbeidsproductiviteit.

Kwaliteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Het aandeel van de overheidsuitgaven in het BBP is gedaald, terwijl de overheidsinvesteringen in talrijke lidstaten stabiel zijn gebleven, wat de groei en de werkgelegenheid bevordert. Een toenemend aantal lidstaten heeft hervormingen doorgevoerd teneinde de uitgaven beter te kunnen controleren, door middel van meerjarige programma's en afspraken tussen verschillende regeringsniveaus. Sommige lidstaten hebben meer vorderingen gemaakt dan andere bij het waarborgen van de houdbaarheid van de financiën op de lange termijn. In veel lidstaten zijn begrotingsoverschotten bereikt, maar er zijn er ook enkele (Duitsland, Frankrijk, Italië, Portugal) die op dit punt nog een weg te gaan hebben. Verscheidene lidstaten hebben met succes hervormingen doorgevoerd in de pensioenstelsels, iets wat dringend noodzakelijk wordt met het oog op de vergrijzing van de bevolking.

Arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt heeft te lijden gehad onder het economisch klimaat: de groei van de werkgelegenheid is gedaald naar 1,1 % en de werkloosheid was aan het eind van het jaar licht gedaald tot 7,8 %. De situatie verschilt van de ene lidstaat tot de andere. Veel lidstaten hebben hun belastingstelsels hervormd en zo de lastendruk op arbeid verminderd, met name op de lage inkomens. De hervormingen van de belastingstelsels zijn onvoldoende gericht op het versterken van de stimulansen om te gaan werken. Er zijn maar weinig maatregelen genomen om de geografische mobiliteit tussen of binnen de lidstaten te bevorderen. Spanje, Griekenland en Portugal zijn bezig met een algemene hervorming van het onderwijsstelsel. De meeste landen hebben moeite de actieve arbeidsmarktprogramma's richting te geven. In sommige lidstaten is de laatste jaren sprake van een flexibeler organisatie van de arbeidstijd (deeltijdwerk, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur, tijdelijke uitzendarbeid en telewerken).

Productmarkten (goederen en diensten). Niet alle lidstaten hebben gelijke vorderingen gemaakt. De goederenmarkten zijn steeds verder geïntegreerd. Er is vooruitgang geboekt bij de omzetting van de internemarktrichtlijnen. De belemmeringen voor grensoverschrijdend handelsverkeer blijven echter nog voortbestaan met betrekking tot enkele specifieke producten. Bij de totstandkoming van een interne markt voor diensten is daarentegen nog nauwelijks vooruitgang geboekt. Bij de openstelling van overheidsopdrachten zijn vorderingen gemaakt. De versterking van de mededinging heeft een daling van de prijzen met zich meegebracht op het gebied van telecommunicatie en elektriciteit. Er blijven echter wel verschillen bestaan tussen lidstaten en sectoren. De liberalisering van de posterijen en de spoorwegen is minder ver gevorderd. De totale omvang van de staatssteun is in verreweg de meeste lidstaten blijven dalen, en de doorzichtigheid op dit punt is toegenomen. De gegevens over staatssteun komen slechts met een zekere vertraging beschikbaar, maar uit de cijfers voor 1997-1999 komt naar voren dat het EU-gemiddelde in die periode is teruggelopen tot 1,2 % van het BBP.

Efficiency en integratie van de financiële markten van de EU. Bij de regulering van de Europese effectenmarkten is veel vooruitgang geboekt met de instemming van het Europees Parlement (EP) aangaande de in het verslag van het comité van wijzen voorgestelde aanpak. Bij de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor Financiële Diensten (APFD) zijn aanzienlijke vorderingen geboekt, evenals bij de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor Risicokapitaal (APRK). Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen om de risicokapitaalmarkt te ontwikkelen.

Ondernemerschap. Er zijn talrijke maatregelen genomen om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verlichten, om de oprichting van bedrijven te stimuleren of de toegang van het MKB tot financiering te vergemakkelijken. Er zijn echter nog verschillen tussen de lidstaten, met name op het gebied van de belastingen. De meeste staten hebben maatregelen genomen om startende ondernemingen en het MKB te ondersteunen. Er zijn initiatieven genomen om de belastingdruk op vennootschappen te verminderen.

Kenniseconomie. De lidstaten hebben verschillende maatregelen genomen om ondernemingen meer te laten investeren in O&O. De termijn voor het vaststellen van de wijze waarop het Gemeenschapsoctrooi moet worden verleend, is echter niet gehaald. Het gebruik van ICT heeft slechts een lichte groei doorgemaakt in vergelijking met de voorgaande jaren. Bij de ontbundeling van het aansluitnet is nauwelijks vooruitgang geboekt. Ondanks de daling van de prijzen voor het gebruik van internet en de stijging van het aantal huishoudens dat toegang heeft tot internet, heeft de EU op dat gebied haar achterstand op de Verenigde Staten niet ingehaald. Het percentage scholen waarvan de leerlingen toegang hebben tot internet, ligt in de meeste lidstaten hoger dan 70 %. Veel regeringen hebben maatregelen genomen die ervoor moeten zorgen dat er meer hooggekwalificeerd ICT-personeel beschikbaar komt en dat de basisvaardigheden van de burgers worden verbeterd.

Duurzame ontwikkeling. Er zijn talrijke initiatieven ontwikkeld, zoals de richtlijn over de handel in emissierechten en een Witboek over het Europese vervoersbeleid. Op het niveau van de lidstaten is op de volgende terreinen vooruitgang geboekt: het Verenigd Koninkrijk en Denemarken hebben reeds een systeem van verhandelbare emissievergunningen opgezet, en andere landen zijn de mogelijkheid aan het onderzoeken om hetzelfde te doen. Ofschoon de lidstaten een groot aantal verschillende maatregelen ten behoeve van een duurzame ontwikkeling hebben genomen, zijn bij de besprekingen over een energiebelasting nauwelijks vorderingen gemaakt.

Evaluatie per lidstaat

België. België heeft enige voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek. Er werd eveneens enige voortgang gemaakt met de hervormingen op de arbeidsmarkt, maar er werden geen belangrijke maatregelen genomen om meer loonflexibiliteit te bevorderen. Er werd enige vooruitgang geboekt op de productmarkten en er waren grote vorderingen op de kapitaalmarkt.

Denemarken. De Deense overheid maakte goede voortgang met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek van de GREB 2001, maar de aanbevelingen voor de arbeidsmarkt in 2001 hebben niet tot nieuwe maatregelen geleid. Er zijn vorderingen gemaakt op het gebied van de product- en kapitaalmarkten.

Duitsland. Er is voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek, hoewel de begrotingstekorten zijn toegenomen ten gevolge van de economische teruggang en de belastinghervormingen. Er werd enige voortgang gemaakt op de arbeidsmarkt, waarbij de wet "Job Aktiv" een eerste stap in de goede richting is, maar er moet meer worden gedaan. De regering heeft de aanbevelingen voor de productmarkten goed opgevolgd en er is ook vooruitgang geboekt op de kapitaalmarkten.

Griekenland. Op het begrotingsvlak zijn vorderingen gemaakt die hebben geleid tot een aanzienlijke verbetering van de overheidsfinanciën. Met de hervorming van de socialezekerheidssector is nog geen begin gemaakt. Op de arbeidsmarkt is voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen. Ook op de productmarkten valt een zekere voortgang te constateren, hoewel de ontwikkelingen op enkele terreinen, zoals O&O en concurrentie, langzaam verlopen. Met betrekking tot de kapitaalmarkt heeft de regering wel vooruitgang geboekt.

Spanje. Spanje heeft de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek goed uitgevoerd. Waarschijnlijk heeft dit land in 2001 een begrotingsevenwicht bereikt. Op de arbeidsmarkt zijn vorderingen gemaakt, en op de product- en kapitaalmarkten is grote vooruitgang geboekt.

Frankrijk. Frankrijk heeft voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek, hoewel de begrotingsaanpassing enigszins is vertraagd. Er werd enige voortgang gemaakt op de arbeidsmarkt, maar niet op het gebied van de arbeidsbescherming. Op de productmarkt heeft Frankrijk enige vooruitgang geboekt. Met betrekking tot de kapitaalmarkten zijn enige vorderingen gemaakt.

Ierland. De Ierse regering heeft goede voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek. Ierland heeft enige voortgang gemaakt met de hervormingen op de arbeidsmarkt, grote vorderingen op de productmarkt en enige voortgang op de kapitaalmarkten.

Italië. Italië heeft voortgang gemaakt op het gebied van de begrotingspolitiek en heeft de begrotingsconsolidatie voortgezet. Er werd enige voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de arbeidsmarkt. Op de product- en kapitaalmarkten heeft de regering eveneens maatregelen genomen om de aanbevelingen van de GREB ten uitvoer te leggen.

Luxemburg. De regering heeft de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek correct opgevolgd. Er valt enige vooruitgang te constateren op de arbeidsmarkt, maar de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de productmarkten is onvoldoende.

Nederland. Over het geheel genomen maakte Nederland goede voortgang met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek. Op de arbeidsmarkt werden enige vorderingen gemaakt, maar de arbeidsongeschiktheidsregeling is nog niet hervormd. Er is goede voortgang gemaakt op de productmarkten en enige voortgang op de kapitaalmarkten.

Oostenrijk. De Oostenrijkse regering heeft goede voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek. Er is enige vooruitgang geboekt op de arbeids- en productmarkten, en met betrekking tot de kapitaalmarkt werden goede vorderingen gemaakt.

Portugal. Wat de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek aangaat, heeft Portugal enige voortgang gemaakt, hoewel het tekort toenam als gevolg van een trage groei van de economie. Ook op de arbeidsmarkt is enige voortgang gemaakt, hoewel de wetgeving op de arbeidsbescherming niet is versoepeld. Op de productmarkten zijn goede vorderingen gemaakt en op de kapitaalmarkten is enige voortgang gemaakt.

Finland. Over het geheel genomen maakte Finland enige voortgang met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek en zijn de overheidsfinanciën gezond gebleven. De tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de arbeidsmarkt vorderde goed: er is getracht het hoge peil van de structurele werkloosheid te verlagen. Op de product- en kapitaalmarkten heeft de regering enige voortgang gemaakt.

Zweden. Zweden heeft de aanbevelingen van de GREB voor de begrotingspolitiek goed opgevolgd. Ook op de arbeidsmarkt heeft Zweden goed gepresteerd. Er werd daarentegen beperkte voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de productmarkten en er werden geen maatregelen genomen om de concurrentie in specifieke sectoren te bevorderen. Er werd enige voortgang gemaakt met betrekking tot de kapitaalmarkten.

Verenigd Koninkrijk. De regering heeft enige voortgang gemaakt met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de begrotingspolitiek. Op de arbeidsmarkt werden goede vorderingen gemaakt en ook op de product- en kapitaalmarkten werd enige vooruitgang geboekt.

Laatste wijziging: 30.09.2002
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven