RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Richtsnoeren voor de economische politiek (1998)

Archief

1) DOELSTELLING

Zorgen voor betere coördinatie van de economische politiek en convergentie van de economische resultaten van de lidstaten en de Gemeenschap.

2) MAATREGEL

Aanbeveling van de Raad van 6 juli 1998 inzake globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap [Publicatieblad 200, 16.07.1998].

3) SAMENVATTING

De tenuitvoerlegging door de lidstaten van beleidsmaatregelen om een hoge mate van economische convergentie in de Gemeenschap te bereiken, heeft ertoe geleid dat de Raad van de Unie op 3 mei 1998 kon besluiten dat 11 lidstaten voldeden aan de voorwaarden om de euro in te voeren. Bij het terugdringen van de werkloosheid zijn echter in verschillende lidstaten onvoldoende vorderingen gemaakt.

Sedert de zomer van 1997 is een steeds krachtigere opleving begonnen bij een historisch lage inflatie. De fundamentele parameters van de economie zijn gezond en verbeteren nog steeds, zodat op een solide groei mag worden gerekend. Tegen de achtergrond van dit herstel kan zich een geringe daling van de werkloosheid voordoen tot in 1999.

Op macro-economisch gebied bevestigen de grote richtsnoeren dat de gemeenschappelijke strategie verder moet worden ontwikkeld rond drie prioriteiten :

  • een op prijsstabiliteit gericht monetair beleid;
  • volgehouden inspanningen om een gezonde begrotingssituatie te bereiken en te bestendigen overeenkomstig het stabiliteitspact;
  • een nominale loonontwikkeling die verenigbaar is met prijsstabiliteit; een reële loonontwikkeling die in verhouding staat tot de stijging van de productiviteit, zodat de winstgevendheid van de investeringen toeneemt.

Hoe meer de stabiliteitsopdracht van de monetaire politiek wordt vergemakkelijkt door een aangepaste begrotingspolitiek en loonontwikkeling, hoe meer de monetaire omstandigheden, waaronder de wisselkoersen en de lange rentevoeten, bevorderlijk zullen zijn voor groei en werkgelegenheid.

De macro-economische beleidsmix in de eurozone zal hoofdzakelijk worden bepaald door de wisselwerking tussen de gemeenschappelijke monetaire politiek en de budgettaire en loonontwikkelingen in de deelnemende landen. Om de passende beleidsmix te verkrijgen, zal de economische politiek worden onderworpen aan een strenger toezicht en een betere coördinatie.

Voor de "pre-in"-landen (Denemarken (castellanodeutschenglishfrançais), het Verenigd Koninkrijk (castellanodeutschenglishfrançais) en Zweden (castellanodeutschenglishfrançais)) bestaat evenzeer de behoefte aan een op stabiliteit gerichte macro-economische politiek.

Zowel in de toekomstige eurozone als in Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk is de gemiddelde inflatie teruggevallen tot minder dan 2 %. Deze landen moeten thans hun economische politiek richten op behoud van de prijsstabiliteit, teneinde monetaire voorwaarden te handhaven die gunstig zijn voor de groei en geen te grote inflatieverschillen te creëren.

Griekenland (castellanodeutschenglishfrançais) moet zijn inspanningen opvoeren om de inflatie terug te dringen, in het bijzonder om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de devaluatie van de drachme bij de toetreding tot het wisselkoersmechanisme in maart 1998.

De meeste lidstaten moeten nog vorderingen maken om de doelstellingen van het stabiliteits- en groeipact te bereiken, te weten een begroting die ongeveer in evenwicht is of een overschot vertoont. Deze consolidatie is nodig om:

  • de opdracht van de gemeenschappelijke monetaire politiek en het monetaire beleid van de "pre in"-landen te verlichten;
  • de lange rentevoeten op een laag peil te kunnen houden, waardoor de particuliere investeringen worden gestimuleerd;
  • de overheidsfinanciën de nodige manoeuvreerruimte terug te geven om het hoofd te kunnen bieden aan ongunstige economische ontwikkelingen;
  • te zorgen dat de schuldquotes van meer dan 60 % voldoende snel worden teruggedrongen tot de referentiewaarde.

Ook is het van belang dat de lidstaten zekerheid verschaffen over de voortzetting van de begrotingsaanpassingen.

Om dat te bereiken herhaalt de Raad dezelfde algemene beginselen als die van de grote richtsnoeren van de voorafgaande jaren :

  • de voorkeur moet worden gegeven aan vermindering van de uitgaven, eerder dan aan verhoging van de belastingdruk;
  • een verlichting van de algemene belastingdruk is in de meeste lidstaten wenselijk om het economische dynamisme te bevorderen;
  • wanneer het overheidstekort of de verhouding overheidsschuld/bruto binnenlands product (BBP) nog te hoog is, mag het tempo van terugdringing van het tekort niet worden vertraagd door een vermindering van de belastingdruk;
  • de overheidsbestedingen moeten bij voorrang worden gericht op infrastructuurinvesteringen en investeringen in menselijk kapitaal, alsmede op een actief arbeidsmarktbeleid.

Evenals de lidstaten wordt de Gemeenschap verzocht een strikte begrotingsdiscipline in acht te nemen.

Richtsnoeren per land

België moet zijn toezegging gestand doen om het primaire overschot op middellange termijn op 6 % van het BBP te houden, teneinde de nog zeer hoge schuldquote in snel tempo te verlagen.

Duitsland moet zijn begrotingsaanpassing intensiveren om zijn schuldquote op een duurzame neerwaartse tendens te brengen en snel weer onder de referentiewaarde terug te dringen.

Spanje moet van de huidige gunstige economische voorwaarden profiteren om op middellange termijn een evenwichtige begroting of een begrotingsoverschot te bereiken.

Frankrijk moet zijn inspanningen tot begrotingsaanpassing voortzetten om de verplichtingen van het stabiliteits- en groeipact na 1999 gestand te doen en zijn schuldquote te stabiliseren.

Ierland moet een stringente begrotingspolitiek voeren om het risico van oververhitting van de economie te beperken. Wegens de toenemende overschotten op de overheidsbegroting zal de schuldquote in 1998 onder de referentiewaarde komen te liggen en daarna verder teruglopen.

Italië moet zijn op begrotingsconsolidatie gerichte inspanningen intensiveren om de verplichtingen van het stabiliteits- en groeipact na te komen en zijn nog zeer hoge schuldquote snel terug te dringen.

Luxemburg zal ook in de komende jaren naar verwachting een begrotingsoverschot boeken, bij een zeer laag blijvende schuldquote.

Nederland mag zijn begrotingsbeleid niet laten verslappen en moet zorgen voor een verdere regelmatige daling van zijn schuldquote.

Oostenrijk moet zijn saneringsinspanningen voortzetten om op middellange termijn een begroting die vrijwel in evenwicht is of een begrotingsoverschot te bereiken, en het moet de neerwaartse tendens van zijn schuldquote handhaven.

Portugal moet zijn budgettaire aanpassingen voortzetten om de verplichtingen van het stabiliteits- en groeipact na te komen. Verwacht wordt dat zijn schuldquote in 1998 onder de referentiewaarde zal komen te liggen en daarna verder zal afnemen.

Finland verwacht in 1998 een begrotingsoverschot en voor de komende jaren een toenemend positief saldo. De voor 1999 geplande verlaging van de inkomstenbelasting moet zodanig geschieden dat dit proces wordt voortgezet.

Denemarken zal in de komende jaren een nog groter begrotingsoverschot boeken. Zijn schuldquote zal in 1998 vermoedelijk onder de referentiewaarde komen te liggen en daarna nog verder teruglopen.

Griekenland moet zijn budgettaire saneringsinspanningen voortzetten wil het zich in het jaar 2001 bij het eurogebied kunnen aansluiten. Het begrotingstekort is in 1997 teruggebracht tot 4 % van het BBP en zal in 1998 vermoedelijk onder de referentiewaarde komen te leggen. De schuldquote van Griekenland is in 1997 voor de eerste maal gedaald.

Zweden moet zijn overheidsuitgaven streng in de hand houden wil het een positief begrotingssaldo handhaven.

Het Verenigd Koninkrijk zal aan het einde van het decennium het begrotingsevenwicht bereiken. De geplande inspanningen moeten worden aangehouden, temeer omdat dit land er rekening mee moet houden dat het noodzakelijk is de voorwaarden te scheppen voor algemene economische stabiliteit.

Bij de vaststelling van de lonen moeten de sociale partners de volgende algemene regels respecteren:

  • de totale nominale loonstijgingen mogen de prijsstabiliteit niet in gevaar brengen;
  • de reële loonstijgingen ten opzichte van de groei van de arbeidsproductiviteit moeten verenigbaar zijn met de noodzaak de winstgevendheid van de investeringen te behouden en zelfs te vergroten;
  • bij de loonafspraken moet meer rekening worden gehouden met verschillen in productiviteit naargelang van de kwalificaties, de vaardigheden en de geografische gebieden;
  • de verschillen in arbeidskosten tussen de lidstaten moeten de uiteenlopende arbeidsproductiviteit blijven weerspiegelen.

In de EMU zal het loonvormingsproces een grotere aanpasbaarheid moeten vertonen, want het zal een belangrijke rol spelen bij het opvangen van landgebonden verstoringen. Dit betekent dat de sociale dialoog op alle niveaus moet worden versterkt.

Structurele hervormingen op de producten-, diensten-, kapitaal- en vooral arbeidsmarkten blijven nodig om de lidstaten in staat te stellen specifieke economische verstoringen op te vangen en het concurrentievermogen van de Gemeenschap te versterken.

Wat de verbetering van de doelmatigheid van de producten-, diensten- en kapitaalmarkten betreft moeten inspanningen worden geleverd op de volgende gebieden:

  • verbetering van de werking van de interne markt, met name door toe te zien op de snelle tenuitvoerlegging van het actieplan voor de interne markt dat tot doel heeft het percentage niet omgezette interne-marktrichtlijnen te verminderen;
  • bevordering van de mededinging door rationalisatie en decentralisatie van de toepassing van de antitrustvoorschriften om deze doeltreffender te maken en de kosten voor het bedrijfsleven te verminderen;
  • ontwikkeling van een regelgevings- en belastingskader dat gunstiger is voor het bedrijfsleven;
  • opheffing van de juridische en financiële belemmeringen voor de integratie van de Europese kapitaalmarkten.

Wat de arbeidsmarkten betreft is een moderniseringsinspanning nodig om de werkgelegenheidsintensiteit van de groei te verhogen en de inzetbaarheid van de beroepsbevolking te waarborgen. Dit zijn ook de doelstellingen van de richtsnoeren voor de werkgelegenheid. De lidstaten moeten zich vooral richten op:

  • een actief arbeidsmarktbeleid, opdat de diensten voor arbeidsvoorziening hun taken, te weten het zoeken naar en het verschaffen van arbeidsplaatsen, beter kunnen uitvoeren, hetgeen gepaard moet gaan met begeleidende maatregelen zoals opleidingsacties;
  • maatregelen om het belastingsstelsel en de sociale zekerheid meer bevorderlijk te maken voor de werkgelegenheid, in het bijzonder door de toenemende wig tussen hetgeen de werknemers ontvangen en hetgeen de ondernemingen betalen te verkleinen;
  • hervormingen van het sociale-zekerheidsstelsel om over te stappen van een passieve regeling voor de instandhouding van het inkomen op een systeem van sociale bijstand via arbeid. Daartoe is nodig dat de aantrekkelijkheid van het loon na belasting wordt vergroot en dat de uitkeringscriteria worden aangepast om de verplichting tot het zoeken van werk en het volgen van een opleiding te versterken;
  • uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op het gebied van de arbeidstijdregeling; regelingen inzake arbeidsduurverkorting mogen in geen geval de aanpasbaarheid ondermijnen of een verlaging van het arbeidsaanbod en de productie tot gevolg hebben.

4) TOEPASSINGSMAATREGELEN

5) VERDERE WERKZAAMHEDEN

Laatste wijziging: 25.10.2002
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven