RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Resolutie van de Europese Raad betreffende de coördinatie van het economisch beleid (1997)

De Europese Raad doet de plechtige toezegging dat de bepalingen van het Verdrag inzake het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid zullen worden nageleefd. In deze resolutie wordt ook de coördinatie versterkt tussen de landen die aan de Economische en Monetaire Unie deelnemen (onder meer door de oprichting van een informele Euro-werkgroep), en tussen deze en de lidstaten die er niet aan deelnemen.

BESLUIT

Resolutie van de Europese Raad van 13 december 1997 betreffende de coördinatie van het economisch beleid in de derde fase van de EMU, en betreffende de artikelen 111 en 113 van het EG-verdrag [Publicatieblad C 35 van 2.2.1998].

SAMENVATTING

De lidstaten van de eurozone zullen één enkel monetair beleid en één enkele wisselkoers hebben, terwijl de andere onderdelen van het economisch beleid onder de nationale verantwoordelijkheid blijven vallen. Voorzover de nationale economische ontwikkelingen de monetaire situatie in de eurozone zullen beïnvloeden, zullen het toezicht en de coördinatie, door de Gemeenschap, van het economisch beleid van de lidstaten van de eurozone moeten worden geïntensiveerd.

Alle lidstaten, ook de landen die niet tot de euro-zone behoren, worden betrokken bij de coördinatie van het economisch beleid omdat zij deelnemen aan de interne markt en mogelijk ook aan het nieuwe wisselkoersmechanisme.

Bij de verbetering van het toezicht en de coördinatie dient de aandacht uit te gaan naar de volgende gebieden:

  • de macro-economische ontwikkelingen in de lidstaten en de wisselkoersontwikkelingen van de euro;
  • de begrotingssituatie en het begrotingsbeleid;
  • de structurele beleidsmaatregelen op de arbeids -, goederen - en dienstenmarkt, en de kosten- en prijstendensen.

Deze coördinatie moet sporen met het subsidiariteitsbeginsel.

Met het oog op de goede werking van de Economische en Monetaire Unie (EMU) dienen de globale richtsnoeren voor het economisch beleid concretere, op individuele landen afgestemde richtlijnen te bieden die in sterkere mate gericht zijn op de verbetering van het groeipotentieel van de lidstaten en op het scheppen van werkgelegenheid.

De lidstaten moeten zich verbinden tot volledige en snelle uitwisseling van informatie over economische ontwikkelingen en beleidsvoornemens die grensoverschrijdende consequenties kunnen hebben, zelfs als er geen sprake is van een dreigende verslechtering van de begrotingssituatie. Van zijn kant zou de Raad zich eerder geneigd kunnen tonen om een lidstaat de nodige aanbevelingen te doen, wanneer het economisch beleid van die lidstaat niet strookt met de globale economische richtsnoeren.

De Raad Economische en Financiële Zaken (ECOFIN), die wordt gevormd door de ministers van economische zaken en financiën van de lidstaten, bekleedt een doorslaggevende positie in het middelpunt van het economisch coördinatie- en besluitvormingsproces. Telkens wanneer vraagstukken van gemeenschappelijk belang aan de orde zijn, worden zij besproken door deze ministers. De ministers van de landen die aan de eurozone deelnemen, kunnen echter op informele wijze bijeenkomen ter bespreking van vraagstukken die verband houden met de specifieke verantwoordelijkheid die zij delen op het gebied van de eenheidsmunt (deze bijeenkomsten, "Eurogroep" genaamd, vinden meestal plaats aan de vooravond van een Raad ECOFIN).

Aangezien de Raad toezicht moet houden op de ontwikkeling van de wisselkoers van de euro, is het belangrijk dat hij informatie en standpunten kan uitwisselen met de Europese Centrale Bank (ECB). In uitzonderlijke gevallen kan hij algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van niet-Gemeenschapsvaluta's vaststellen met inachtneming van de onafhankelijkheid van het Europees Systeem van Centrale Banken (ESCB) en het hoofddoel van het ESCB, namelijk prijsstabiliteit.

Zowel bij de bilaterale betrekkingen met derde landen als bij de besprekingen in internationale organisaties of informele groeperingen van landen, stelt de Raad het standpunt vast dat de Gemeenschap zal innemen in aangelegenheden die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire Unie. Aan de stemmingen nemen alleen de lidstaten deel die deel uitmaken van de eurozone.

De Raad en de Europese Centrale Bank vertegenwoordigen de Gemeenschap op internationaal niveau onder eerbiediging van de in het Verdrag vastgelegde bevoegdheidsverdeling.
In andere sectoren van het economisch beleid dan het monetair en wisselkoersbeleid dienen de lidstaten hun eigen beleid buiten het Gemeenschapskader te blijven presenteren, daarbij ten volle rekening houdend met de belangen van de Gemeenschap.
Bij de vertegenwoordiging in internationale organisaties dient te worden voldaan aan de regels van die organisaties: zo kunnen bijvoorbeeld alleen landen lid zijn van het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

In het licht van de bevoegdheidsverdeling van het Verdrag vereist de harmonische economische ontwikkeling van de Gemeenschap in de derde fase van de EMU een permanente en vruchtbare dialoog tussen de Raad en de ECB, waarbij de Commissie wordt betrokken en waarbij de onafhankelijkheid van het ESCB in al haar aspecten wordt geëerbiedigd.
Het Economisch en Financieel Comité (castellanodeutschenglishfrançais) vormt het kader waarin de dialoog op het niveau van hoge ambtenaren kan worden voorbereid en voortgezet.

Laatste wijziging: 20.03.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven