RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Vijf jaar eurobiljetten en -munten

Op 1 januari 2002 heeft de euro zijn intrede gedaan in het dagelijks leven van de inwoners van twaalf EU-lidstaten. Vijf jaar na de invoering van de munten en biljetten maakt de Europese Commissie de balans op.

BESLUIT

Mededeling van de Commissie van 28 december 2006 aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Centrale Bank: Vijf jaar eurobiljetten en -munten [COM(2006) 862 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].

SAMENVATTING

De Europese Commissie gaat nader in op de invoering van eurobiljetten en -munten op 1 januari 2002 en de gevolgen daarvan voor het dagelijks leven van de bevolking.

Goede informatie aan de burger blijft van cruciaal belang

Uit enquêtes onder de burgers blijkt dat de kennis over de voordelen van de euro nog te wensen overlaat. Ook bestaan er nog wijdverbreide misvattingen over de euro. De Europese Commissie acht dan ook verdere inspanningen noodzakelijk om het publiek goed te informeren over de euro. Feit is namelijk dat:

  • de voordelen van de euro nog te weinig bekend zijn: slechts een kwart (23 %) van de burgers in het eurogebied weet dat er geen extra kosten worden berekend bij geldopnames met een bankpas in een ander land van het eurogebied en bij betaling met een bankpas (27 %) of een bankoverschrijving (16 %) in het eurogebied;
  • er hardnekkige misvattingen leven: de overgrote meerderheid van de ondervraagden in het eurogebied is van mening dat de euro tot prijsstijgingen heeft geleid. In de tien in mei 2004 toegetreden lidstaten verwacht 45 % van de ondervraagden dat de invoering van de euro tot prijsstijgingen zal leiden, dit terwijl uit de statistieken van de Europese Centrale Bank (ECB) juist blijkt dat de jaarlijkse inflatie in het eurogebied sinds de invoering van de euro in 1999 nooit meer dan 2,4 % heeft bedragen;
  • prijzen nog dubbel worden aangeduid: bij de dagelijkse boodschappen rekent een duidelijke meerderheid (57 %) van de bevolking in euro, terwijl een op de vijf nog terugrekent naar de oude nationale munteenheid. Bij grote aankopen, zoals de aankoop van een auto of een huis, rekent echter een groot deel nog in de oude munteenheid (40 %). De Commissie wijst nogmaals op haar aanbeveling uit 2002: nog bestaande dubbele prijsaanduidingen in het eurogebied (met uitzondering van Slovenië) moeten zo snel mogelijk verdwijnen. In de overschakelingsfase is de consument bij dergelijke aanduidingen gebaat, maar wanneer het te lang duurt, beginnen ze contraproductief te werken.

Voortdurende verbetering van euromunten en -biljetten

Er wordt voortdurend gewerkt aan verbetering van de kwaliteit, de betrouwbaarheid en het gebruiksgemak van eurobiljetten en -munten. Kort na de invoering van de chartale euro is de ECB gestart met de voorbereidingen voor de volgende serie biljetten om ervoor te zorgen dat de echtheidskenmerken zo geavanceerd mogelijk blijven.

Afgezet tegen de absolute aantallen eurobiljetten en -munten blijken maar zeer weinig valse biljetten en munten in omloop te zijn. De Commissie wijst erop dat het aantal valse Visdollarbiljetten veel hoger ligt.

Zorgen voor samenhang in de visuele aspecten van de euro

De euromunten hebben een gemeenschappelijke zijde, die voor alle landen van het eurogebied hetzelfde is, en een nationale zijde, die van lidstaat tot lidstaat verschilt.

Nationale zijde. De Raad heeft in 2003 besloten dat de nationale zijde van de in omloop zijnde euromunten tot eind 2008 geen wijzigingen mag ondergaan ("moratorium"). Alleen voor de afbeelding van een nieuw staatshoofd op een munt of voor de uitgifte van gedenkmunten van 2 euro in verband met bepaalde gebeurtenissen wordt een uitzondering gemaakt. Wel gelden in het laatste geval bepaalde oplage- en frequentiebeperkingen. Gedenkmunten zijn bestemd voor circulatie, maar hebben een afwijkende nationale zijde. Zo zijn de lidstaten van het eurogebied overeengekomen om een gedenkmunt (EN) van 2 euro uit te geven naar aanleiding van de 50e verjaardag van het Verdrag van Rome op 25 maart 2007.

Vóór het verstrijken van het moratorium eind 2008 moet de Raad een nieuw besluit nemen over de nationale zijdes van de voor omloop bestemde euromunten. In 2007 zal de Europese Commissie onder de bevolking van het eurogebied een enquête starten naar de opvattingen en voorkeuren op dit gebied.

Tot slot mogen de lidstaten verzamelaarsmunten uitgeven, bijvoorbeeld in edelmetaal, maar deze zijn alleen in de uitgevende lidstaat wettig betaalmiddel en zijn niet voor circulatie bestemd.

Gemeenschappelijke zijde. Op de gemeenschappelijke zijde van de euromunten is een kaart van Europa afgebeeld met de landen van de Europese Unie toen deze nog uit vijftien leden bestond. Op 1 mei 2004 is de EU uitgebreid met tien nieuwe lidstaten. Daarom heeft de Raad op 7 juni 2005 besloten (FR) [PDF ] dat de gemeenschappelijke zijde van de munten van 10, 20 en 50 cent en van 1 en 2 euro zodanig wordt gewijzigd dat voortaan alle EU-landen worden afgebeeld. De kleinste munten van 1, 2 en 5 cent blijven ongewijzigd omdat deze Europa in de wereld weergeven.

Vanaf 1 januari 2007 heeft Slovenië als eerste land de munten met de nieuwe gemeenschappelijke zijde ingevoerd. In de twaalf landen van het eurogebied die de chartale euro in januari 2002 hebben ingevoerd, zijn de voorbereidingen voor de productie van de nieuwe munten in volle gang. De meeste ervan stappen in de loop van 2007 over op de nieuwe gemeenschappelijke zijde. De overige lidstaten volgen uiterlijk in 2008.

Productie en opslag van biljetten en munten

De productie van eurobiljetten wordt op decentraal niveau georganiseerd en gepoold. Dit houdt in dat de Europese Centrale Bank (ECB) jaarlijks de productie van de biljetten aan de nationale centrale banken van het eurogebied toewijst. Elke coupure wordt door een beperkt aantal drukkerijen geproduceerd en elke bank is voor de levering van slechts één of een paar coupures verantwoordelijk. Daarmee worden schaalvoordelen gerealiseerd en wordt de efficiëntie vergroot.

Voorts wordt met logistieke voorraden en een gemeenschappelijke strategische voorraad bankbiljetten, de zogeheten Strategische Voorraad van het Eurosysteem, de continuïteit van de levering van eurobiljetten gewaarborgd. Zo worden deze voorraden gebruikt voor de levering van de beginhoeveelheid eurobiljetten die nodig zijn voor de overschakeling in lidstaten die tot het eurogebied toetreden, zoals Slovenië op 1 januari 2007.

De ECB is van plan uiterlijk in 2012 één Eurosysteem-aanbestedingsprocedure in te voeren voor de productie van bankbiljetten.

De productie van euromunten is zaak van de afzonderlijke lidstaten. De beslissingen worden dus op decentraal niveau genomen, waardoor de efficiëntiewinsten van pooling, en met name de coördinatie van de productie en/of opslag, deels wegvallen. Zo is het niet uitgesloten dat een land besluit om extra munten te slaan, terwijl een ander land juist over overtollige voorraden van de betreffende denominatie beschikt.

Daarom stelt de Commissie voor om met name voor de drie kleinste denominaties van 1, 2 en 5 cent, die samen goed zijn voor zo´n 80 % van de productie van nieuwe munten, na te gaan waar verbetering mogelijk is. Deze munten genereren weinig monetaire inkomsten en de productie- en daarmee samenhangende kosten (zoals transport en verpakking) vallen in vergelijking met de nominale waarde ervan hoog uit. Aangezien uiteenlopende nationale zijdes tot op zekere hoogte een belemmering vormen voor de uitwisseling of overdracht van muntvoorraden tussen de landen, zijn een aantal lidstaten heel misschien bereid om bij de kleine denominaties een nationale "standaardzijde" te accepteren.

Tot slot stelt de Europese Commissie voor om na te gaan of een specifiek EU-begrotingsonderdeel voor euromuntprojecten of -activiteiten van gemeenschappelijk belang kan worden gecreëerd.

Gebruik van de girale euro (1999) - Invoering van munten en biljetten (2002)

Op 1 januari 1999 hebben elf lidstaten de euro als eenheidsmunt ingevoerd. Griekenland (castellanodeutschenglishfrançais) volgde op 1 januari 2001. Van 1999 tot en met 2001 kon de euro alleen worden gebruikt in girale vorm, bijvoorbeeld bij cheques of bankoverschrijvingen. Aanvankelijk maakten maar weinig mensen gebruik van deze mogelijkheid. In het dagelijks leven bleef de invoering van de eenheidsmunt tot op zekere hoogte onopgemerkt omdat de consument in de twaalf landen bij betalingstransacties de nationale bankbiljetten en munten bleven gebruiken. Op 1 januari 2002 zijn in twaalf lidstaten eurobiljetten en -munten in omloop gebracht. Sinds 1 januari 2007 maakt Slovenië deel uit van het eurogebied.

De verantwoordelijkheid voor de productie en uitgifte van eurobiljetten ligt uitsluitend bij de ECB. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de productie en het slaan van euromunten. De nationale centrale banken in het eurogebied brengen zowel de bankbiljetten als de munten in omloop.

 
Laatste wijziging: 17.01.2007

Zie ook

Nadere informatie is te vinden op de volgende websites van de Europese Commissie:

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven