RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een EU-lidstaat zijn gebracht

Deze richtlijn verzekert de landen van de Europese Unie (EU) van de teruggave van nationaal bezit met een artistieke, historische of archeologische waarde dat na de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen op onrechtmatige wijze buiten hun grondgebied is gebracht.

BESLUIT

Richtlijn 93/7/EEG van de Raad van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht [Zie wijzigingsbesluiten].

SAMENVATTING

De richtlijn beoogt de teruggave van cultuurgoederen die uit hoofde van de nationale wetgeving of van nationale administratieve procedures als "nationaal artistiek, historisch of archeologisch bezit" zijn aangemerkt, voor zover:

  • zij tot een van de in de bijlage bij de richtlijn vermelde categorieën behoren;
  • zij integrerend deel uitmaken van openbare collecties die vermeld staan in de inventarissen van de musea, de archieven en de vaste collecties van bibliotheken of de inventarissen van kerkelijke instellingen.

Voor de toepassing van de richtlijn kunnen de landen van de Europese Unie (EU) een goed als nationaal bezit aanmerken, ook nadat dit buiten hun grondgebied is gebracht. Zij kunnen de werkingssfeer ook uitbreiden tot cultuurgoederen die niet tot een van de in de bijlage vermelde categorieën behoren.

De richtlijn is van toepassing zodra deze goederen op onrechtmatige wijze, dat wil zeggen in strijd met de aldaar geldende wetgeving of de voorwaarden waaronder een tijdelijke vergunning is verstrekt, buiten het grondgebied van een EU-lidstaat zijn gebracht. De teruggave van het goed moet bijgevolg plaatsvinden, ongeacht of het binnen de Unie werd overgebracht dan wel eerst naar een derde land werd uitgevoerd en vervolgens weer in een ander land van de EU werd ingevoerd.

De richtlijn is alleen van toepassing op cultuurgoederen die met ingang van 1 januari 1993 op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat van de EU zijn gebracht. De EU-lidstaten kunnen de werkingssfeer echter uitbreiden tot goederen die vóór 1 januari 1993 buiten hun grondgebied zijn gebracht.

Elke lidstaat wijst een of meer autoriteiten aan die de in de richtlijn omschreven bevoegdheden uitoefenen. De Commissie maakt bijgewerkte lijsten van deze autoriteiten in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.

Administratieve samenwerking voor de teruggave bij minnelijke schikking

De centrale autoriteiten van de EU-lidstaten dienen voor de teruggave van cultuurgoederen samen te werken en overleg te bevorderen met de bevoegde autoriteiten van de andere landen van de EU. De centrale autoriteiten moeten:

  • een cultuurgoed dat op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een EU-lidstaat is gebracht, opsporen en de identiteit van de bezitter en/of de houder * ervan vaststellen;
  • bij ontdekking op hun grondgebied van een cultuurgoed waarvoor er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een andere lidstaat is gebracht, de betrokken lidstaat hiervan in kennis stellen;
  • de hiervan in kennis gestelde lidstaat de gelegenheid geven binnen twee maanden na de kennisgeving na te trekken of het betrokken goed een cultuurgoed in de zin van de richtlijn is;
  • de nodige maatregelen treffen voor het materiële behoud van het cultuurgoed;
  • voorkomen dat het cultuurgoed aan de procedure van teruggave wordt onttrokken;
  • als tussenpersoon fungeren tussen de bezitter of de houder van het goed en de verzoekende lidstaat *.

Instelling van een vordering tot teruggave bij de rechtbank

In geval van weigering van de bezitter of houder van het cultuurgoed om hiervan afstand te doen, zijn alleen de rechtbanken van de aangezochte lidstaat * gerechtigd de teruggave van het goed aan de verzoekende lidstaat te gelasten. De regeling van de bewijslast is onderworpen aan de wetgeving van de aangezochte lidstaat.

Het recht tot indiening van een vordering tot teruggave is uitsluitend voorbehouden aan de landen van de EU. De particuliere eigenaar van een cultuurgoed kan tegen de bezitter slechts de vorderingen instellen waarin het gemene recht voorziet.

De vordering tot teruggave verjaart één jaar na de datum waarop de verzoekende lidstaat in kennis werd gesteld van de plaats waar het goed zich bevindt en van de identiteit van zijn bezitter of houder. Om ontvankelijk te zijn, moet de vordering vergezeld gaan van:

  • een document waarin het goed waarop de vordering tot teruggave betrekking heeft, wordt beschreven en waarin wordt verklaard dat dit goed een cultuurgoed is in de zin van de richtlijn;
  • een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende lidstaat dat het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten zijn grondgebied is gebracht.

De vordering tot teruggave verjaart hoe dan ook 30 jaar na de datum waarop het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de verzoekende lidstaat is gebracht, uitgezonderd in het geval van goederen die deel uitmaken van openbare verzamelingen en kerkelijke goederen waarvan de termijn afhangt van de nationale wetgeving of bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten.

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de burgerlijke of strafrechtelijke vorderingen die de verzoekende lidstaat of de eigenaar van het goed op grond van het nationale recht van de EU-lidstaten kunnen instellen.

Financiële aspecten

Indien teruggave van een cultuurgoed gevorderd wordt, heeft de bezitter recht op een billijke vergoeding, mits de rechtbank ervan overtuigd is dat hij/zij bij de aankoop de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Deze vergoeding moet worden betaald door de verzoekende lidstaat, die echter terugbetaling van die vergoeding kan vorderen van de personen die verantwoordelijk zijn voor het op onrechtmatige wijze buiten zijn grondgebied brengen van het cultuurgoed. De eigendom van het cultuurgoed na de teruggave ervan wordt door het nationale recht van de verzoekende lidstaat geregeld.

Tenuitvoerlegging

Het Comité voor de uitvoer en de teruggave van cultuurgoederen (vroeger het Raadgevend Comité inzake cultuurgoederen) staat de Commissie bij bij de behandeling van elk vraagstuk met betrekking tot de toepassing van de bijlage van de richtlijn.

De lidstaten van de EU dienen om de drie jaar een verslag in bij de Commissie over de toepassing van de richtlijn. Op basis daarvan brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

Belangrijkste begrippen
  • Verzoekende lidstaat: de EU-lidstaat waarvan het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied is gebracht.
  • Aangezochte lidstaat: de EU-lidstaat op het grondgebied waarvan zich een op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een andere EU-lidstaat gebracht cultuurgoed bevindt.
  • Bezitter/houder: degene die een cultuurgoed feitelijk houdt voor zichzelf, respectievelijk voor een ander.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Richtlijn 93/7/EEG

27.3.1993

15.12.1993 (15.3.1994 voor België, Duitsland en Nederland)

L 74 van 27.3.1993

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Richtlijn 96/100/EG

21.3.1997

1.9.1997

L 60 van 1.3.1997

Richtlijn 2001/38/EG

30.7.2001

31.12.2001

L 187 van 10.7.2001

De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Richtlijn 93/7/EEG zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.

WIJZIGING VAN DE BIJLAGEN

Categorieën waartoe de goederen die als “nationaal bezit” worden beschouwd, moeten behoren om te kunnen worden teruggegeven:
Richtlijn 96/100/EG [Publicatieblad L 60 van 1.3.1997];
Richtlijn 2001/38/EG [Publicatieblad L 187 van 10.7.2001].

GERELATEERDE BESLUITEN

Resolutie van de Raad van 21 januari 2002 betreffende het verslag van de Commissie over de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen en Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht [Publicatieblad C 32 van 5.2.2002].
De Raad neemt akte van de initiatieven van de Commissie, verzoekt de lidstaten van de EU om nauwer samen te werken met elkaar en met de Commissie en verzoekt de Commissie de reeds gelanceerde initiatieven voort te zetten en bijzondere aandacht te besteden aan de volledige toepassing van de verordening bij de toetreding van de kandidaat-lidstaten tot de EU.

Verslagen

Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 juli 2009 – Derde verslag over de toepassing van richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht [COM(2009) 408 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
In dit verslag wordt de toepassing van de richtlijn door de lidstaten in de periode 2004-2007 beoordeeld. Over het algemeen wordt de richtlijn als een nuttig instrument gezien om cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht terug te geven en het culturele erfgoed te beschermen. De lidstaten erkennen dat zij een effectief middel is om het onrechtmatig buiten het land brengen van goederen te ontmoedigen. Toch zijn zij van mening dat de richtlijn op zich niet volstaat om de illegale handel in cultuurgoederen te bestrijden.
Gedurende de periode waarop dit verslag betrekking heeft, werd de richtlijn maar zelden toegepast in het kader van de administratieve samenwerkingsacties en bij de instelling van vorderingen tot teruggave. De voornaamste redenen daarvoor zijn de administratieve complexiteit en de financiële kosten van de tenuitvoerlegging van de richtlijn, het beperkte toepassingsgebied ervan en de korte termijn voor de instelling van een vordering tot teruggave en de uitlegging van de daarmee verband houdende concepten.
De lidstaten van de EU hebben op administratief niveau samengewerkt om cultuurgoederen op te sporen en de vondst daarvan op het grondgebied van een andere lidstaat te melden. Als gevolg daarvan waren er 148 gevallen van teruggave bij minnelijke schikking.
Hoewel de administratieve samenwerking in en tussen de landen van de EU is verbeterd, dienen de nationale en de Europese autoriteiten nog beter met elkaar samen te werken. Daarom zal de Commissie de bestaande richtsnoeren actualiseren en de lijsten van de bevoegde nationale autoriteiten publiceren. De lidstaten stellen bovendien wijzigingen voor om de richtlijn doeltreffender te maken. Het betreft onder meer een verlenging van de termijn voor de instelling van een vordering tot teruggave, die momenteel één jaar bedraagt en op drie jaar zou kunnen worden gebracht, een herziening van het toepassingsgebied van de richtlijn en de wijziging van de bijlage bij de richtlijn om er nieuwe categorieën goederen in op te nemen of de financiële drempel en de frequentie van de verslaglegging te wijzigen.
De Commissie zal een voorstel indienen tot oprichting van een ad-hocwerkgroep binnen het Comité voor de uitvoer en de teruggave van cultuurgoederen, die belast zal worden met het opsporen van knelpunten in de tenuitvoerlegging van de richtlijn en het voorstellen van oplossingen die voor alle EU-lidstaten aanvaardbaar zijn, met het oog op een eventuele wijziging van de richtlijn.

Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 december 2005 – Tweede verslag over de toepassing van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht [COM(2005) 675 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
Dit verslag betreft de toepassing van de richtlijn in de periode 1999-2003. Uit het verslag blijkt dat de richtlijn maar weinig is toegepast. De EU-lidstaten hebben melding gemaakt van 5 teruggaven bij minnelijke schikking en 3 vorderingen bij de rechtbank. Deze vrij lage cijfers wijzen erop dat er belangrijke lacunes bestaan op het gebied van de samenwerking en het overleg tussen de nationale centrale autoriteiten. Om dit te verhelpen is de Commissie van plan de toepassing van de door het Raadgevend Comité inzake cultuurgoederen vastgestelde richtsnoeren te controleren om de administratieve samenwerking te verbeteren.
Volgens de EU-lidstaten is een termijn van één jaar voor het instellen van een vordering tot teruggave te kort. Onder voorbehoud van overleg in het Raadgevend Comité inzake cultuurgoederen stelt de Commissie voor deze termijn te verlengen tot drie jaar.
Wat de op de in Richtlijn 93/7/EG bedoelde cultuurgoederen van toepassing zijnde financiële drempels betreft, blijkt uit het verslag dat de lidstaten van mening verschillen over de verhoging of de verlaging daarvan. De Commissie is bijgevolg niet voornemens de financiële drempels te wijzigen.
Gezien de beperkte toepassing van Richtlijn 93/7/EG stelt de Commissie de schrapping voor van de verplichting om elke drie jaar een verslag op te stellen. Het Raadgevend Comité inzake cultuurgoederen moet zich hierover uitspreken.

Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2000 over de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen en Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht [COM (2000) 325 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
In dit verslag wordt erop gewezen dat de genoemde maatregelen de lidstaten van de EU en de actoren in de internationale handel bewust hebben gemaakt van het feit dat de bescherming van de cultuurgoederen op Europees niveau moet worden verbeterd. Het onderkent echter dat de rechtsinstrumenten de illegale handel in cultuurgoederen slechts marginaal beïnvloeden. Het verslag stelt dat structurering van de administratieve samenwerking en van de uit te wisselen informatie tussen de betrokken autoriteiten de werking van de richtlijn en de verordening positief zou kunnen beïnvloeden.
Het verslag bevat een lijst van douanekantoren die voor de vervulling van de uitvoerformaliteiten voor deze goederen bevoegd zijn, een lijst van bevoegde autoriteiten die de uitvoervergunning voor cultuurgoederen kunnen afgeven, en een lijst van centrale autoriteiten die de bevoegdheden waarin Richtlijn 93/7/EEG voorziet uitoefenen.

Laatste wijziging: 25.06.2010

Zie ook

  • Website van het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie van de Europese Commissie over cultuurgoederen (EN)
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven