RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Richtsnoeren inzake de toepassing van Artikel 101, lid 3, VWEU (oud Artikel 81, lid 3, VEG)

De Commissie bepaalt de criteria voor evaluatie onder Artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) (oud Artikel 81, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap [VEG]) met het oog op de vrijstelling van overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die verboden zijn onder Artikel 101, lid 1, VWEU (oud Artikel 81, lid 1, VEG).

BESLUIT

Mededeling van de Commissie -Richtsnoeren inzake de toepassing van Artikel 81, lid 3, van het Verdrag [Publicatieblad nr. C 101 van 27.4.2004].

SAMENVATTING

Artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) (oud Artikel 81, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap [VEG]) verbiedt alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Bij wijze van uitzondering op deze regel stelt Artikel 101, lid 3, VWEU (oud Artikel 81, lid 3, VEG) dat het verbod van Artikel 101, lid 1, VWEU buiten toepassing kan worden verklaard voor overeenkomsten die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder aan de betrokken ondernemingen beperkingen op te leggen, welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, en zonder hen de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.

De onder Artikel 101 VWEU voorziene evaluatie is bijgevolg tweeledig. Eerst dient nagegaan te worden of een overeenkomst tussen ondernemingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, een mededingingsverstorend doel of reële of potentiële mededingingsverstorende gevolgen heeft. Artikel 101, lid 3, VWEU kan alleen ingeroepen worden, wanneer een overeenkomst tussen ondernemingen de concurrentie beperkt in de zin van Artikel 101, lid1, VWEU. Bij niet-beperkende overeenkomsten hoeven de eventuele voordelen die eruit voortvloeien, niet onderzocht te worden. De richtsnoeren van de Commissie over verticale afspraken, horizontale samenwerkingsovereenkomsten en overeenkomsten inzake technologieoverdracht bevatten belangrijk advies over de toepassing van Artikel 101, lid1, VWEU op verschillende types van overeenkomsten.

Pas wanneer een overeenkomst daadwerkelijk concurrentiebeperkend wordt geacht, dienen in een tweede fase de concurrentiebevorderende voordelen geïdentificeerd te worden, die er precies uit deze overeenkomst voortvloeien, en dient nagegaan te worden of deze concurrentiebevorderende gevolgen opwegen tegen de mededingingsverstorende gevolgen. Het afwegen van mededingingsverstorende tegen concurrentiebevorderende gevolgen gebeurt uitsluitend binnen het door Artikel 101, lid 3, VWEU geschetste kader. Deze richtsnoeren buigen zich over de vier voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU:

  • verbetering van de efficiëntie;
  • billijk aandeel voor de gebruikers;
  • onmisbaarheid van de beperkingen;
  • geen uitschakeling van de mededinging.

Zodra één van deze voorwaarden niet vervuld blijkt, hoeft de beantwoording aan de overige voorwaarden niet meer onderzocht te worden, aangezien voormelde vier voorwaarden cumulatief zijn. In individuele gevallen kan het dan ook aangewezen blijken om de vervulling van deze vier voorwaarden in een andere volgorde na te gaan. Voor de met deze richtsnoeren beoogde doelstellingen werd de volgorde van de tweede en de derde voorwaarde omgedraaid en wordt dus eerst de kwestie van de onmisbaarheid besproken en pas daarna die van de gevolgen voor de gebruikers. Voor de analyse van dit laatste gegeven moeten de negatieve en positieve gevolgen van een overeenkomst voor de gebruikers tegen elkaar worden afgewogen. Beperkingen die niet voldoen aan de onmisbaarheidsvoorwaarde, mogen daarbij alvast buiten beschouwing gelaten worden, aangezien ze om diezelfde reden al als verboden door Artikel 101 VWEU gelden.

Artikel 101, lid 3, VWEU sluit a priori geen bepaalde types van overeenkomsten van zijn toepassingsveld uit. In principe worden alle beperkende overeenkomsten die aan de vier voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU voldoen, door de uitzonderingsregel gedekt. De kans is echter wel klein dat ernstige mededingingsbeperkingen aan de voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU voldoen. Dergelijke beperkingen worden doorgaans door groepsvrijstellingsverordeningen verboden of als hardcore beperkingen geïdentificeerd in richtsnoeren en mededelingen van de Commissie. Overeenkomsten van deze aard voldoen meestal (minstens) niet aan de eerste twee voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU. Ze zorgen noch voor economische voordelen, noch voor voordelen voor de gebruikers.

Deze richtsnoeren zijn niet-bindend en doen geenszins afbreuk aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van Eerste Aanleg met betrekking tot de interpretatie van Artikel 101, lid 1, en 101, lid 3, VWEU of de interpretatie die de Europese rechtbanken aan deze bepalingen in de toekomst zullen geven.

Context

Volgens Artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 zijn overeenkomsten als bedoeld in Artikel 101, lid 1, VWEU die niet aan de voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU voldoen, verboden. Volgens Artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 zijn overeenkomsten als bedoeld in Artikel 101, lid 1, VWEU die wel aan de voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU voldoen, niet verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is. Dergelijke overeenkomsten zijn rechtsgeldig en afdwingbaar, zodra de voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU vervuld zijn en zolang dat dit het geval blijft.

Laatste wijziging: 21.02.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven