RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 23 talen
Nieuwe beschikbare talen:  BG - CS - ET - GA - LV - LT - HU - MT - PL - RO - SK - SL

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU (voorheen artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag)

Bij Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad werd een nieuwe regeling voor de toepassing van de antitrustprocedures ingesteld met het oog op een betere daadwerkelijke handhaving van de mededingingsregels van de Europese Unie (EU) in het belang van de consumenten en de ondernemingen en een beperking van de administratieve rompslomp waarmee ondernemingen die activiteiten in Europa uitoefenen belast worden. Deze verordening zal het administratieve werk van de Commissie verlichten zodat zij een groter deel van haar middelen op de handhaving van de mededingingsregels kan richten en in het bijzonder op de zwaarste inbreuken op die regels. Zij zal bovendien de rol van de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties bij de toepassing van het concurrentierecht uitbreiden en tegelijk een doeltreffende en uniforme toepassing van de regels waarborgen.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag [Zie wijzigingsbesluiten].

SAMENVATTING

Deze verordening, die op 16 december 2002 door de Raad werd goedgekeurd voor de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (voorheen artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap), vervangt sinds 1 mei 2004 Verordening (EEG) nr. 17/62.

In Verordening (EEG) nr. 17/62 werd een gecentraliseerd controlesysteem uitgewerkt waarbij afspraken die de handel tussen EU-landen zouden kunnen inperken en ongunstig beïnvloeden, officieel moesten worden aangemeld bij de Commissie om vrijgesteld te kunnen worden. Deze exclusieve bevoegdheid van de Commissie inzake de goedkeuring van mededingingsbeperkende akkoorden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag, heeft de ondernemingen ertoe aangezet om talrijke overeenkomsten aan te melden. Daardoor werden de inspanningen ondermijnd om een strenge en gedecentraliseerde toepassing van de mededingingsregels van de EU te stimuleren.

Om de administratieve formaliteiten voor ondernemingen te vereenvoudigen en de Commissie de mogelijkheid te bieden doeltreffender op te treden tegen zware inbreuken op de mededingingsregels, bracht de Commissie, met de publicatie in 1999 van een witboek (DE (DE) (EN) (ES) (FR)) (EN (DE) (EN) (ES) (FR)) (ES (DE) (EN) (ES) (FR)) (FR (DE) (EN) (ES) (FR)), een lang hervormingsproces op gang dat resulteerde in de publicatie van onderhavige verordening.

Deze hervorming vormt de overgang van een gecentraliseerd beleid waarbij de Commissie na voorafgaande kennisgeving toestemming verleende naar een systeem van wettelijke uitzonderingen. Dit laatste systeem is gebaseerd op decentrale toepassing van de mededingingsregels van de EU en de versterking van de controle achteraf. Daardoor wordt enerzijds het werk van de Commissie verlicht en wordt anderzijds de rol van de nationale mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties bij de uitvoering van het mededingingsrecht van de EU verder uitgebreid en wordt tegelijk de doeltreffende en eenvormige toepassing van dat recht gegarandeerd.

Toepassingsgebied

Deze verordening bevat regels voor de toepassing van de bepalingen van het VWEU inzake overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de mededinging kunnen beperken (artikel 101 VWEU) en misbruik van machtsposities (artikel 102 VWEU).

Samenwerking tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties van de EU-landen

Het door deze verordening ingestelde systeem van wettelijke uitzonderingen heeft als rechtstreeks gevolg dat ondernemingen een grotere verantwoordelijkheid krijgen. Zij moeten immers niet langer vooraf een aanmelding doen bij de Commissie, maar moeten te goeder trouw verzekeren dat deze overeenkomsten de vrije concurrentie niet aantasten en dat zij de regels van de EU op dit vlak niet overtreden. Om misbruiken te voorkomen krijgen de Europese mededingingsautoriteiten - met inbegrip van de Commissie - en de nationale jurisdicties ook meer verantwoordelijkheid wat de toegenomen waakzaamheid betreft voor het respecteren van de Europese mededingingsregels waarbij zij een wederzijdse coördinatie van hun acties moeten garanderen. Om dat te vergemakkelijken, dient de uitwisseling van informatie tussen de verschillende instellingen te worden verbeterd.

Teneinde de uitwisseling van informatie tussen mededingingsautoriteiten in Europa te vergemakkelijken, voorziet de verordening in de oprichting van een Europees mededingingsnetwerk, bestaande uit de nationale mededingingsautoriteiten en de Commissie. Binnen dit netwerk kan informatie, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, worden uitgewisseld, wat tot de handhaving van de mededingingsregels kan bijdragen. De Commissie dient van de voornaamste documenten een kopie door te geven en, op verzoek van de mededingingsautoriteiten, alle documenten te leveren die nodig zijn voor de beoordeling van de zaak die zij onderzoekt. De nationale mededingingsautoriteiten van hun kant dienen de Commissie op de hoogte te brengen van alle verbods- en toezeggingsbeschikkingen aangaande de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU alsook van alle beslissingen tot intrekking van het voordeel van de groepsvrijstellingsverordening, uiterlijk dertig dagen vóór de goedkeuring van die beschikkingen en beslissingen.

Om dubbel werk te vermijden en een eenvormige en coherente toepassing van het Europese mededingingsrecht mogelijk te maken, wordt in onderhavige verordening de regel behouden volgens welke de nationale mededingingsautoriteiten automatisch een zaak uit handen geven zodra de Commissie een procedure opstart. Deze verbindt er zich trouwens toe om de betreffende nationale autoriteit te raadplegen vóór zij met de procedure begint. Als bij de mededingingsautoriteit van een EU-land of bij de Commissie een klacht aanhangig wordt gemaakt tegen een overeenkomst, een besluit van verenigingen of een onderling afgestemde gedraging die al door een andere mededingingsautoriteit is of wordt behandeld, kunnen zij de procedure opschorten of de klacht verwerpen.

Voordat de Commissie een beslissing neemt waarbij zij de beëindiging van een inbreuk beveelt, toezeggingen van ondernemingen een verbindend karakter verleent, de niet-toepasselijkheid van artikel 101, lid 1, VWEU vaststelt of ondernemingen een boete of een dwangsom oplegt, raadpleegt zij het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities; dat gebeurt gedurende een vergadering van het comité of volgens een schriftelijke procedure. In het comité, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de nationale mededingingsautoriteiten, worden de zaken onderzocht die door de Europese mededingingsautoriteiten behandeld worden.

Wat betreft de vereiste samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties, bepaalt de verordening dat de nationale rechterlijke instanties aan de Commissie kunnen vragen of zij hun de informatie meedeelt waarover zij beschikt of een advies geeft in verband met vragen betreffende de toepassing van de mededingingsregels van de EU. Voorts verbinden de EU-landen zich ertoe de Commissie een kopie te overhandigen van ieder door een nationale rechterlijke instantie gewezen schriftelijk vonnis over de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU. Deze verordening voorziet voor de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten ook in de mogelijkheid om voor de nationale rechterlijke instanties schriftelijke of mondelinge opmerkingen te formuleren over vraagstukken aangaande de toepassing van artikel 101 of 102 VWEU.

Bevoegdheden van de Europese Commissie

Om te waken over de toepassing van de mededingingsregels betreffende overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (artikel 101) en betreffende misbruik van een machtspositie (artikel 102) die ertoe strekken dat de mededinging wordt verhinderd, beschikt de Commissie over diverse bevoegdheden, zoals de bevoegdheid beschikkingen te geven, onderzoeken te voeren en sancties op te leggen. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend door de Commissie wanneer zij - na een klacht of ambtshalve - van mening is dat inbreuk is gepleegd op artikel 101 of 102 VWEU.

Krachtens deze verordening kan de Commissie voor ieder geval apart de volgende beslissingen nemen:

  • een inbreuk vaststellen en doen ophouden: wanneer de Commissie een inbreuk vaststelt op de bepalingen van artikel 101 of 102 VWEU, kan zij door middel van een beschikking de ondernemingen en ondernemersverenigingen in kwestie verplichten een eind te maken aan de vastgestelde inbreuk of het einde van de inbreuk vaststellen;
  • voorlopige maatregelen bevelen: in het geval van een gerechtvaardigde dringende noodzaak kan de Commissie, ambtshalve en na een eerste vaststelling van de inbreuk, voorlopige maatregelen bevelen;
  • toezeggingen opleggen: wanneer de Commissie een beschikking wil geven om de inbreuk te doen ophouden en de betrokken ondernemingen toezeggingen aanbieden die haar bezwaren wegnemen, kan zij, voor een bepaalde periode, de naleving van deze toezeggingen opleggen. De Commissie kan de procedure opnieuw openen wanneer de feitelijke situatie wijzigt, wanneer de betrokken ondernemingen hun toezeggingen niet langer nakomen of wanneer de beschikking steunt op onvolledige, onjuiste of misleidende informatie;
  • vaststellen dat de artikelen 101 en 102 niet van toepassing zijn: de Commissie kan, op grond van het algemene belang van de EU en afhankelijk van de elementen waarover zij beschikt, vaststellen dat artikel 101 van het Verdrag niet kan worden toegepast op overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Dat is het geval wanneer niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 101, lid 1, ofwel wanneer de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, vervuld zijn. Zij kan hetzelfde doen in het geval van machtsposities bedoeld in artikel 102.

Om het goede verloop van het recht op verdediging te verzekeren moet de Commissie, vóór zij een beslissing neemt, aan de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen de kans geven om hun standpunt mee te delen in verband met de bezwaren die tegenover hen geuit zijn. De betrokken partijen beschikken verder over een recht inzake toegang tot het dossier van de Commissie op voorwaarde dat geen bedrijfsgeheimen worden verspreid. Om het beroepsgeheim niet te schenden, kan alle verzamelde informatie enkel worden gebruikt voor de doelstellingen waarvoor zij verzameld is. De Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten zijn trouwens gehouden om de informatie die zij gekregen of uitgewisseld hebben, niet te verspreiden.

De Commissie heeft verschillende onderzoeksbevoegdheden. Zij kan:

  • onderzoek doen naar bepaalde sectoren: wanneer de evolutie van de handel tussen de EU-landen, prijsstarheid of andere omstandigheden doen vermoeden dat de mededinging op de interne markt mogelijk wordt beperkt of vervalst, kan de Commissie een onderzoek instellen naar een bepaalde economische sector of een bepaald soort overeenkomsten in verschillende sectoren;
  • inlichtingen vragen: de Commissie kan op eenvoudig verzoek of bij beschikking, de nodige inlichtingen vragen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen om de taken uit te voeren die haar op basis van deze verordening zijn toegewezen. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan beschikken over nuttige inlichtingen, wordt ertoe gehouden de gevraagde inlichtingen te leveren. Om haar taken te vervullen kan de Commissie ook de nodige inlichtingen vragen aan de regeringen en de nationale mededingingsautoriteiten;
  • verklaringen afnemen: de Commissie kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon ondervragen die daartoe bereid is;
  • overgaan tot een inspectie: de Commissie kan overgaan tot alle nodige inspecties bij ondernemingen en ondernemersverenigingen, welke zich daaraan dienen te onderwerpen.
    Haar functionarissen beschikken over de volgende bevoegdheden:
    1. het betreden van de lokalen, terreinen en vervoermiddelen van ondernemingen en ondernemersverenigingen;
    2. het betreden van alle andere lokalen, terreinen en vervoermiddelen van ondernemingen en ondernemersverenigingen, met inbegrip van de woning van directeuren, kaderleden en andere personeelsleden, als het redelijke vermoeden bestaat dat de boeken of andere bedrijfsdocumenten die verband houden met deze zaak en het voorwerp uitmaken van de inspectie, er zouden kunnen worden bewaard;
    3. het controleren van de boeken en alle andere bescheiden van het bedrijf;
    4. het maken of verkrijgen van afschriften of uittreksels van die boeken en bescheiden;
    5. het aanbrengen van zegels op alle lokalen en bedrijfsdocumenten voor de duur van de inspectie;
    6. het vragen van informatie aan vertegenwoordigers of personeelsleden van de onderneming of de ondernemersvereniging en het optekenen van hun antwoorden.

De functionarissen die gemachtigd worden door de Commissie oefenen hun bevoegdheden uit na overlegging van een schriftelijke machtiging waarin het voorwerp en het doel van de inspectie en de mogelijke sancties vermeld zijn. De Commissie brengt de mededingingsautoriteit van het betrokken EU-land tijdig op de hoogte van de inspectie. De mededingingsautoriteit van een EU-land kan op haar grondgebied en krachtens het nationale recht alle onderzoeksmaatregelen uitvoeren namens en voor rekening van de mededingingsautoriteit van een ander EU-land of op verzoek van de Commissie een inspectie verrichten om te bepalen of al dan niet inbreuk is gepleegd op de artikelen 101 en 102 VWEU.

De Commissie kan de volgende sancties opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen:

  • geldboetes: de Commissie kan aan ondernemingen en ondernemersverenigingen geldboetes opleggen tot maximaal 1 % van het totale omzetcijfer dat zij behaald hebben gedurende het vorige boekjaar, wanneer zij opzettelijk of uit nalatigheid:
    1. onvolledige, onjuiste of misleidende inlichtingen doorgeven als antwoord op een gestelde vraag of de inlichtingen niet binnen de vastgestelde termijn doorgeven;
    2. bij de uitvoering van inspecties de verlangde boeken of andere bedrijfsdocumenten onvolledig leveren of zich niet onderwerpen aan de gelaste inspecties;
    3. tijdens een inspectie weigeren te antwoorden op een gestelde vraag of onjuist, onvolledig of misleidend antwoorden;
    4. de zegels die de gemachtigde functionarissen geplaatst hebben, verbroken hebben.

    De Commissie kan verder geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen ten bedrage van 10 % van het totale jaarlijkse omzetcijfer gedurende het vorige boekjaar. Dat geldt voor ieder van de ondernemingen die meegewerkt hebben aan de inbreuk, wanneer zij een inbreuk plegen op de bepalingen van artikel 101 of 102 VWEU, wanneer zij ingaan tegen een beschikking waarbij voorlopige maatregelen gelast worden en wanneer zij een toezegging die bij beschikking van de Commissie een verbindend karakter is verleend, niet respecteren.

    Bij het bepalen van het bedrag van de boete, houdt de Commissie rekening met de ernst en de duur van de inbreuk. Als de boete opgelegd wordt aan een ondernemersvereniging die onvermogend is, kan de Commissie de betaling van de boete eisen van ieder van de ondernemingen die op het ogenblik van de inbreuk was aangesloten. De financiële aansprakelijkheid van iedere onderneming mag niet hoger liggen dan 10 % van het totale omzetcijfer dat zij behaald heeft gedurende het vorige boekjaar. De beschikkingen waarbij een boete wordt opgelegd, hebben geen strafrechtelijke weerslag;

  • dwangsommen: de Commissie kan aan ondernemingen en ondernemersverenigingen ook dwangsommen opleggen ten bedrage van 5 % van het gemiddelde dagelijkse omzetcijfer in het vorige boekjaar per dag vertraging te rekenen vanaf de datum bepaald in de beschikking, om ze op die manier te dwingen:
    1. een eind te maken aan een inbreuk;
    2. een beschikking te respecteren waarbij voorlopige maatregelen gevraagd worden;
    3. een toezegging te respecteren waaraan een verbindend karakter is verleend;
    4. een gevraagde inlichting volledig en juist te geven;
    5. zich te onderwerpen aan een inspectie die de Commissie opgelegd heeft.

    Wanneer de ondernemingen de verplichtingen nakomen waarvoor een dwangsom werd opgelegd, kan de Commissie beslissen om het definitieve bedrag te verminderen.

De bevoegdheid van de Commissie om geldboetes of dwangsommen op te leggen, verjaart na drie of vijf jaar, afhankelijk van de gemaakte inbreuk. De verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag waarop de inbreuk gepleegd werd en wordt gestuit door iedere handeling van de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit ter vervolging van de inbreuk. De verjaringstermijn wordt gestuit zolang de beschikking van de Commissie het voorwerp vormt van een procedure die hangende is voor het Hof van Justitie. De verjaringstermijn voor de uitvoering van sancties bedraagt vijf jaar.

Het Hof van Justitie behandelt beroepsprocedures tegen de beschikkingen van de Commissie en kan in zijn vonnissen ingaan tegen beschikkingen van de Commissie waarin deze een boete of dwangsom oplegt.

Groepsvrijstellingsverordeningen

De Commissie is op grond van verschillende verordeningen gemachtigd om op de daarin vastgestelde gebieden verordeningen vast te stellen die artikel 101, lid 1, VWEU niet-toepasselijk verklaren voor bepaalde groepen overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde gedragingen (groepsvrijstellingsverordening). Het betreft meer bepaald:

  • Verordening (EEG) nr. 19/65 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen;
  • Verordening (EEG) nr. 2821/71 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen;
  • Verordening (EG) nr. 487/2009 van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector van het luchtvervoer;
  • Verordening (EEG) nr. 1534/91 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector;
  • Verordening (EG) nr. 246/2009 van 26 februari 2009 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen lijnvaartondernemingen (consortia).

Indien deze onder een groepsvrijstelling vallende overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen toch een negatieve invloed hebben die in strijd is met artikel 101, lid 3, VWEU, kunnen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten, op eigen initiatief dan wel na een klacht, het voordeel van een dergelijke groepsvrijstellingsverordening in bepaalde gevallen intrekken.

Wijzigingsbepalingen

Deze verordening wijzigt de volgende verordeningen:

  • Verordening (EEG) nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren;
  • Verordening (EEG) nr. 2988/74 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers- en het mededingingsrecht;
  • Verordening (EEG) nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag op het zeevervoer;
  • Verordening (EEG) nr. 3975/87 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer;
  • Verordeningen (EEG) nr. 19/65, 2821/71 en 1534/91 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen;
  • Verordening (EEG) nr 17/62 tot uitvoering van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.

Deze verordening strekt tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 141/62 houdende de niet-toepassing op de vervoersector van Verordening nr. 17 van de Raad.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Verordening (EG) 1/2003

24.1.2003

-

L 1 van 4.1.2003

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Verordening (EG) 411/2004

9.3.2004

-

L 68 van 6.3.2004

Verordening (EG) nr. 1419/2006

18.10.2006

-

L 269 van 28.9.2006

De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Verordening (EG) nr. 1/2003 zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.

GERELATEERDE BESLUITEN

Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) [Publicatieblad L 123 van 27.4.2004].
Deze verordening bevat precieze regels betreffende een aantal belangrijke aspecten van de door de Commissie ingeleide procedures, zoals het horen van de betrokkenen, klachten en toegang tot het dossier. Zij vervangt Verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag.
Zie geconsolideerde versie

Laatste wijziging: 14.03.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven