RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Richtsnoeren inzake verticale beperkingen

De richtsnoeren zorgen voor een kader om ondernemingen te helpen hun eigen ad-hocevaluatie te verrichten van de verenigbaarheid van verticale overeenkomsten met de mededingingsregels van de Europese Unie (EU). Ze beschrijven de analysemethode en het handhavingsbeleid die door de Commissie in individuele gevallen worden gehanteerd met betrekking tot verticale overeenkomsten onder artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

BESLUIT

Bekendmaking van de Commissie van 10 mei 2010: Richtsnoeren inzake verticale beperkingen [SEC (2010) 411 definitief].

SAMENVATTING

Artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verbiedt overeenkomsten die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen. Overeenkomsten die voldoende voordelen opleveren om op te wegen tegen de mededingingsverstorende gevolgen, worden buiten toepassing van dit verbod verklaard onder Artikel 101, lid 3, VWEU.

Verticale overeenkomsten zijn overeenkomsten voor de aan- en verkoop van goederen of diensten die gesloten worden tussen ondernemingen die elk in een verschillend stadium van de productie- of distributieketen werkzaam zijn. Distributieovereenkomsten tussen fabrikanten en groot- of kleinhandelaars zijn typische voorbeelden van verticale overeenkomsten. Verticale overeenkomsten die simpelweg de prijs en hoeveelheid voor een specifieke verkoop- en aankooptransactie bepalen, beperken normaal gezien niet de concurrentie. Er kan echter wel sprake zijn van een mededingingsbeperking, als de overeenkomst beperkingen voor de leverancier of de koper bevat. Dergelijke verticale beperkingen kunnen niet alleen negatieve, maar ook positieve gevolgen hebben. Zo kunnen ze een fabrikant helpen om een nieuwe markt te betreden of de situatie helpen vermijden, waarbij één distributeur 'profiteert' van de promotionele inspanningen van een andere distributeur, of een leverancier toelaten om een voor een specifieke klant verrichte investering te depreciëren.

Of een verticale overeenkomst de concurrentie al dan niet beperkt en of in dat geval de voordelen al dan niet opwegen tegen de mededingingsverstorende gevolgen zal vaak afhangen van de marktstructuur. In principe dient dit geval per geval nagegaan te worden. De Commissie heeft echter Verordening (EU) nr. 330/2010 - ook wel de „Groepsvrijstellingsverordening” (de GVV) genoemd - aangenomen, die een veilige haven biedt voor de meeste verticale overeenkomsten. Door middel van een groepsvrijstelling verklaart Verordening (EU) nr. 330/2010 het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU niet van toepassing op verticale overeenkomsten die aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Doel van de richtsnoeren

Deze richtsnoeren beschrijven de gehanteerde aanpak ten aanzien van verticale overeenkomsten die niet gedekt worden door de GVV. Zo is de GVV met name niet van toepassing, als het marktaandeel van leverancier en/of koper groter is dan 30 %. Het overschrijden van de marktaandeeldrempel van 30 % doet echter geen vermoeden van illegaliteit ontstaan. De drempel is alleen bedoeld om de overeenkomsten die een vermoeden van legaliteit genieten, te onderscheiden van diegene die aan een individueel onderzoek onderworpen dienen te worden. De richtsnoeren helpen ondernemingen om een dergelijk onderzoek te verrichten.

De richtsnoeren leggen algemene regels vast voor de evaluatie van verticale beperkingen en reiken criteria aan voor de evaluatie van de meest voorkomende types van verticale beperkingen: merkexclusiviteit (niet-concurrentiebedingen), alleenverkoop, klantenexclusiviteit, selectieve distributie, franchising, exclusieve levering, vooraf te betalen toegangsvergoedingen, categoriemanagementovereenkomsten, koppelverkoop en beperkingen betreffende de wederverkoopprijs.

Algemene regels voor de evaluatie van verticale beperkingen

De Commissie past de volgende algemene regels toe bij de evaluatie van verticale beperkingen in situaties, waarbij de GVV niet van toepassing is.

Wanneer de Commissie een individueel onderzoek instelt, rust op haar de bewijslast dat de overeenkomst een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU oplevert. Op ondernemingen die verzoeken om van artikel 101, lid 3, VWEU te mogen profiteren, rust de bewijslast dat aan de nodige voorwaarden wordt voldaan.

Om te beoordelen of een verticale overeenkomst ten gevolge heeft dat de mededinging wordt beperkt, wordt de feitelijke of waarschijnlijke toekomstige situatie op de relevante markt, met de geldende verticale beperkingen, vergeleken met de situatie die zich zonder de verticale beperkingen in de overeenkomst zou voordoen.

Het is waarschijnlijk dat merkbare concurrentiebeperkende effecten optreden, wanneer ten minste één van de partijen een zekere mate van marktmacht heeft of krijgt en de overeenkomst bijdraagt tot het ontstaan, het behoud of de versterking van die marktmacht of de partijen in staat stelt van die marktmacht gebruik te maken.

De mogelijke negatieve markteffecten van verticale beperkingen, die het EU-mededingingsrecht beoogt te verhinderen, zijn de volgende:

  • concurrentiebeperkende uitsluiting van andere leveranciers of andere afnemers;
  • afzwakking van de concurrentie en vergemakkelijking van collusie tussen de leverancier en zijn concurrenten;
  • afzwakking van de concurrentie en vergemakkelijking van collusie tussen de afnemer en zijn concurrenten;
  • belemmering van de marktintegratie.

Op een markt waarop individuele distributeurs slechts het merk of de merken van één leverancier kunnen distribueren, zal de geringere concurrentie tussen de distributeurs van hetzelfde merk tot gevolg hebben dat de concurrentie binnen een merk afneemt. Als de concurrentie tussen merken echter hevig is, is het onwaarschijnlijk dat een afname van de concurrentie binnen een merk negatieve gevolgen heeft voor de consument.

Exclusieve regelingen zijn over het algemeen nadeliger voor de concurrentie dan niet-exclusieve regelingen. Zo leidt een niet-concurrentiebeding ertoe dat de afnemer slechts één merk koopt. Een afnamequotering daarentegen kan de afnemer de mogelijkheid laten om concurrerende goederen te kopen. De mate van marktafscherming kan dus (veel) minder zijn in het geval van een afnamequotering.

Verticale beperkingen die betrekking hebben op merkloze goederen en diensten zijn over het algemeen minder schadelijk dan beperkingen die gevolgen hebben voor de distributie van merkproducten. Het onderscheid tussen merkproducten en merkloze producten zal vaak samenvallen met het onderscheid tussen eindproducten en intermediaire producten.

Het is belangrijk te erkennen dat verticale beperkingen positieve effecten kunnen hebben; zij kunnen met name de niet-prijsconcurrentie bevorderen en tot een verbetering van de dienstverlening leiden. Voor verticale beperkingen van beperkte duur die de introductie van nieuwe, complexe producten vergemakkelijken, relatiegebonden investeringen beschermen of de overdracht van knowhow bevorderen, geldt de efficiëntiereden als vrijstellingsreden over het algemeen het sterkst.

Laatste wijziging: 03.12.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven