RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Vrijstelling voor verticale leverings- en distributieovereenkomsten

Bepaalde soorten verticale overeenkomsten kunnen de economische efficiëntie binnen een productie- of distributieketen bevorderen door een betere coördinatie tussen de deelnemende ondernemingen mogelijk te maken, met een vermindering van de transactie- en distributiekosten van de partijen en een optimalisering van de hoogte van hun verkoop en investeringen tot gevolg. Gelet op de over het geheel genomen positieve ervaring met de toepassing van Verordening (EG) nr. 2790/1999, heeft de Commissie deze nieuwe groepsvrijstellingsverordening aangenomen.

BESLUIT

Verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van Artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

SAMENVATTING

Artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) (oud Artikel 81, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG)) verbiedt overeenkomsten die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen. Overeenkomsten die voldoende voordelen opleveren om op te wegen tegen de mededingingsverstorende gevolgen worden buiten toepassing van dit verbod verklaard onder Artikel 101, lid 3, VWEU (oud Artikel 81, lid 3, VEG).

Verticale overeenkomsten zijn overeenkomsten voor de aan- en verkoop van goederen of diensten die gesloten worden tussen ondernemingen die elk in een verschillend stadium van de productie- of distributieketen werkzaam zijn. Distributieovereenkomsten tussen fabrikanten en groot- of kleinhandelaars zijn typische voorbeelden van verticale overeenkomsten. Verticale overeenkomsten die simpelweg de prijs en hoeveelheid voor een specifieke verkoop- en aankooptransactie bepalen, beperken normaal gezien niet de concurrentie. Er kan echter wel sprake zijn van een mededingingsbeperking, als de overeenkomst beperkingen voor de leverancier of de koper bevat, zoals een verbod voor de koper op het aankopen van concurrerende merken. Dergelijke verticale beperkingen kunnen niet alleen negatieve, maar ook positieve gevolgen hebben. Zo kunnen ze een fabrikant helpen om een nieuwe markt te betreden of de situatie helpen vermijden, waarbij één distributeur 'profiteert' van de promotionele inspanningen van een andere distributeur, of een leverancier toelaten om een voor een specifieke klant verrichte investering te depreciëren.

Of een verticale overeenkomst de concurrentie al dan niet beperkt en of in dat geval de voordelen al dan niet opwegen tegen de mededingingsverstorende gevolgen zal vaak afhangen van de marktstructuur. In principe dient dit geval per geval nagegaan te worden. De Commissie heeft echter deze Verordening (EU) nr. 330/2010 – ook wel de „Groepsvrijstellingsverordening” (GVV) genoemd – aangenomen, die een veilige haven biedt voor de meeste verticale overeenkomsten. Door middel van een groepsvrijstelling verklaart de GVV het verbod van Artikel 101, lid 1, VWEU niet van toepassing op verticale overeenkomsten die aan bepaalde voorwaarden voldoen. De Commissie heeft ook richtsnoeren over verticale beperkingen gepubliceerd. Deze beschrijven de gehanteerde aanpak ten aanzien van verticale overeenkomsten die niet gedekt worden door de GVV.

Vereisten voor toepassing van de Groepsvrijstellingsverordening

De GVV vermeldt een aantal vereisten die vervuld moeten zijn, vooraleer een bepaalde verticale overeenkomst vrijgesteld wordt van het verbod van Artikel 101, lid 1, VWEU. De eerste vereiste is dat de overeenkomst geen enkele van de hardcore beperkingen mag bevatten, die in de GVV gespecificeerd worden. De tweede vereiste houdt verband met een marktaandeeldrempel van 30 % voor zowel leveranciers als kopers. Ten derde vermeldt de GVV bepaalde voorwaarden met betrekking tot drie specifieke beperkingen.

Hardcore beperkingen

De GVV vermeldt vijf hardcore beperkingen die tot de uitsluiting van de hele overeenkomst van het voordeel van de GVV leiden, zelfs al bedragen de marktaandelen van de leverancier en koper minder dan 30 %. Met hardcore beperkingen wordt gedoeld op ernstige beperkingen van de concurrentie omwille van het waarschijnlijke nadeel dat ze verbruikers berokkenen. Meestal zullen ze verboden zijn. Het wordt erg onwaarschijnlijk geacht dat verticale overeenkomsten die dergelijke hardcore beperkingen bevatten, aan de voorwaarden van Artikel 101, lid 3, VWEU voldoen.

De eerste hardcore beperking heeft betrekking op prijsbinding: het is de leveranciers niet toegestaan om de (minimum)prijs te bepalen, tegen dewelke distributeurs hun producten mogen doorverkopen.

De tweede hardcore beperking houdt verband met beperkingen van het gebied waarin of de klanten aan wie de afnemer mag verkopen. Deze hardcore beperking heeft alles te maken met marktafscherming per gebied of klant. Distributeurs moeten vrij blijven om te beslissen, waar en aan wie ze verkopen. De GVV bevat uitzonderingen op deze regel die bijv. ondernemingen toelaten om met een exclusief of selectief distributiesysteem te werken.

Dederde en de vierde hardcore beperkinghebben betrekking op selectieve distributie. Ten eerste kan men aan geselecteerde distributeurs wel verbieden om aan niet-erkende distributeurs te verkopen, maar men kan hen geen beperkingen opleggen in verband met de eindgebruikers aan wie zij kunnen verkopen. Ten tweede moeten de aangeduide distributeurs vrij blijven om de contractgoederen te verkopen aan of te kopen van andere aangeduide distributeurs binnen het netwerk.

De vijfde hardcore beperking betreft de levering van vervangingsonderdelen. Een overeenkomst tussen een fabrikant van vervangingsonderdelen en een afnemer die deze componenten verwerkt in zijn eigen producten, mag de verkoop van deze vervangingsonderdelen aan eindgebruikers, onafhankelijke herstellers of dienstverleners niet beletten of beperken.

Het marktaandeel van 30 %

Een verticale overeenkomst valt onder deze GVV, als het marktaandeel van zowel de leverancier als de afnemer van de goederen of diensten niet meer dan 30 % bedraagt. Voor de leverancier gaat het daarbij om zijn marktaandeel op de relevante leveringsmarkt. Dat wil zeggen dat de markt waarop hij de goederen of diensten verkoopt, beslissend is voor de toepassing van de groepsvrijstelling. Voor de koper gaat het om zijn marktaandeel op de relevante aankoopmarkt. Dat wil zeggen dat de markt waarop hij de goederen of diensten aankoopt, beslissend is voor de toepassing van de GVV.

De uitgesloten beperkingen

Deze verordening geldt voor alle verticale beperkingen behalve de hierboven vermelde hardcore beperkingen. Ze legt echter wel specifieke voorwaarden op voor drie verticale beperkingen:

  • niet-concurrentiebedingen tijdens de duur van de overeenkomst;
  • niet-concurrentiebedingen na de beëindiging van de overeenkomst;
  • de uitsluiting van specifieke merken in een selectief distributiesysteem.

Wanneer de voorwaarden niet vervuld zijn, worden deze verticale overeenkomsten uitgesloten van de vrijstelling van de GVV. De GVV blijft echter wel van toepassing op het resterende gedeelte van de verticale overeenkomst, als dat gedeelte splitsbaar is (d.w.z. apart kan bestaan) van de niet-vrijgestelde verticale beperkingen.

Deze verordening wordt aangenomen na het verstrijken van Verordening (EG) nr. 2790/1999.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtreding – VervaldatumUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Verordening (EU) nr. 330/2010

1.6.2010 – 31.5.2022

-

PB L 102 van 23.4.2010

Laatste wijziging: 24.11.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven