RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Steun voor plattelandsontwikkeling

De toekomst van de landbouwsector hangt nauw samen met een evenwichtige ontwikkeling van het platteland, dat maar liefst 80% van het communautaire grondgebied bestrijkt. Naast de maatregelen ter ondersteuning van de landbouwmarkten speelt ook het Europees beleid inzake plattelandsontwikkeling een belangrijke rol in de territoriale, economische en sociale cohesie. Dit beleid is gestoeld op de volgende beginselen: erkenning van de multifunctionaliteit van de landbouw, verbetering van het concurrentievermogen, aandacht voor het milieu, diversificatie van de economische activiteiten en bescherming van het landelijke erfgoed.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen [Zie wijzigingsbesluiten].

SAMENVATTING

Werkingssfeer

Bij deze verordening wordt het kader ingesteld waarbinnen de Gemeenschap vanaf 1 januari 2000 steun zal verlenen voor duurzame plattelandsontwikkeling. De verordening is bedoeld ter flankering en vervollediging van de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en van het communautaire structuurbeleid.

De maatregelen voor plattelandsontwikkeling die op grond van de verordening in aanmerking komen voor subsidiëring, kunnen in twee categorieën worden ingedeeld:

  • de begeleidende maatregelen van de hervorming van 1992: vervroegde uittreding, milieumaatregelen in de landbouw, bebossing en de regeling voor probleemgebieden;
  • de maatregelen inzake modernisering en diversificatie van landbouwbedrijven: investeringen in landbouwbedrijven, vestiging van jonge landbouwers, opleiding, steun voor investeringen in inrichtingen voor de verwerking en de afzet, aanvullende steun voor de bosbouw, promotie van de landbouw en omschakeling.

BEGELEIDENDE MAATREGELEN VAN DE HERVORMING VAN HET GLB IN 1992

Vervroegde uittreding

Er kan steun worden verleend aan exploitanten van landbouwbedrijven die ten minste 55 jaar oud zijn maar niet de normale pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en die, na ten minste 10 jaar activiteit in de landbouw, definitief alle commerciële landbouwactiviteiten stopzetten. Dit geldt ook voor werknemers - meewerkende gezinsleden of werknemers in loondienst - die deze leeftijd hebben bereikt, onder een sociale-zekerheidsstelsel vallen en in de aan de uittreding voorafgaande vijf jaar ten minste de helft van hun arbeidstijd aan werkzaamheden op landbouwbedrijven hebben besteed.

Het doel van de steun is oudere landbouwers een toereikend inkomen te verschaffen en, afhankelijk van de levensvatbaarheid van het bedrijf, bij te dragen tot hun vervanging of tot de bestemming van landbouwgrond voor niet-agrarische doeleinden (bosbouw, natuurreservaten enz.). De exploitanten die hun bedrijf overlaten, kunnen tot de leeftijd van 75 jaar jaarlijks tot 15 000 euro ontvangen (met een maximum van 150 000 euro in totaal). Als zij reeds een pensioen van een lidstaat uitgekeerd krijgen, wordt de steun een pensioentoeslag. Aan werknemers kan tot 3 500 euro per jaar aan steun worden betaald (met een maximum van 35 000 euro in totaal), totdat de normale pensioenleeftijd wordt bereikt.

De eventuele overnemer van het landbouwbedrijf moet de vrijgekomen grond geheel of gedeeltelijk overnemen, over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid beschikken en zich ertoe verbinden om op het landbouwbedrijf gedurende ten minste 5 jaar aan landbouw te doen.

Milieumaatregelen in de landbouw en dierenwelzijn

Er kan steun worden toegekend aan landbouwers die landbouwproductiemethoden gebruiken die zijn ontworpen met het oog op milieubescherming, natuurbeheer (milieumaatregelen in de landbouw) of dierenwelzijn en die bijdragen tot de verwezenlijking van de communautaire doelstellingen op het gebied van de landbouw, het milieu en het welzijn van de landbouwhuisdieren. De steun wordt verleend ter bevordering van wijzen van bedrijfsvoering die verenigbaar zijn met de bescherming van het milieu en de milieuplanning, de extensivering van de landbouw, de instandhouding van milieuvormen met een grote natuurwaarde en de instandhouding van landschapselementen.

Landbouwers die in aanmerking willen komen voor deze steun, moeten verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw of verbintenissen inzake dierenwelzijn aangaan voor een periode van ten minste vijf jaar. Deze verbintenissen moeten verder gaan dan de loutere toepassing van de gebruikelijke goede landbouwmethoden en moeten betrekking hebben op diensten waarin niet is voorzien in andere steunmaatregelen zoals die betreffende marktsteun of de compenserende vergoedingen.

Voor de bepaling van de hoogte van deze steun wordt rekening gehouden met de gederfde inkomsten, de extra kosten die met de verbintenis op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw zijn gemoeid, de noodzaak een stimulans in dit verband te geven en de niet-productieve investeringen. De steun mag per jaar per hectare evenwel niet meer bedragen dan 600 euro voor eenjarige gewassen, 900 euro voor gespecialiseerde blijvende gewassen, 450 euro voor andere vormen van grondgebruik en 500 euro per grootvee-eenheid voor dierenwelzijn (200 euro voor plaatselijke rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan).

Voedselkwaliteit

De verlening van steun aan bepaalde landbouwproductiemethoden leidt tot een verbetering van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemde producten. Deze steun heeft tot doel de consument garanties te bieden en een meerwaarde te realiseren. Begunstigden van de steun zijn landbouwers die op vrijwillige basis deelnemen aan communautaire of nationale voedselkwaliteitsregelingen in het kader van de Europese regelgeving op het gebied van de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen, specificiteitscertificeringen, de biologische productiemethode en kwaliteitswijn. Deze kwaliteitsregelingen garanderen een volledige traceerbaarheid van de producten, bevatten specificaties voor het eindproduct en maken het mogelijk deze te doen naleven.

De steun op het gebied van voedselkwaliteit wordt gedurende ten hoogste vijf jaar toegekend in de vorm van een jaarlijks bedrag van maximaal 3 000 euro per bedrijf. Het bedrag wordt vastgesteld naar gelang van de vaste kosten die voortvloeien uit de deelname aan de kwaliteitsregelingen.

Aan producentengroeperingen kan steun worden toegekend voor activiteiten op het gebied van voorlichting, afzetbevordering en reclame. De totale steun bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten van de actie.

Probleemgebieden en gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied

Aan landbouwers in probleemgebieden, met name bergstreken, gebieden met specifieke belemmeringen en met probleemgebieden gelijkgestelde zones, kunnen compenserende vergoedingen worden toegekend om het verdere gebruik van landbouwgrond te waarborgen en duurzame landbouwsystemen in stand te houden, de natuur te beschermen en aan de milieueisen te voldoen. Tot de probleemgebieden kunnen ook andere gebieden worden gerekend waar voortzetting van de landbouw noodzakelijk is voor de bescherming van het milieu, het natuurbeheer, het toerisme of de bescherming van de kust, op voorwaarde dat de oppervlakte van deze andere gebieden niet meer bedraagt dan 10% van de totale oppervlakte van de betrokken lidstaat.

De betrokken landbouwers verbinden er zich toe hun activiteit gedurende ten minste 5 jaar voort te zetten en daarbij methoden te gebruiken die als goede landbouwpraktijken in de gebruikelijke zin van het woord kunnen worden bestempeld en die verenigbaar zijn met de noodzaak het milieu en de natuur te behouden, met name door duurzame landbouw te beoefenen. Zij zullen van de steun worden uitgesloten, indien op het bedrijf residuen van stoffen die verboden zijn of van stoffen die zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, worden aangetroffen.

De compenserende vergoedingen worden vastgesteld op een niveau dat toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor de belemmeringen bij te dragen, met dien verstande dat overcompensatie moet worden voorkomen. Het bedrag wordt daarom gemoduleerd binnen een vork van 25 tot 250 euro per hectare landbouwgrond, met inachtneming van de ontwikkelingsdoelstellingen voor de regio, de natuurlijke belemmeringen, de milieuproblemen en het bedrijfstype. Compenserende vergoedingen die hoger zijn dan het maximumbedrag, mogen worden toegekend op voorwaarde dat het gemiddelde van alle op het betreffende programmeringsniveau toegekende compenserende vergoedingen dit maximumbedrag niet overschrijdt. De lidstaten mogen voor de berekening van het gemiddelde bedrag een combinatie van regionale programma's voorleggen.

De landbouwers in gebieden waar specifieke milieubeperkingen gelden, kunnen eveneens steun van ten hoogste 250 euro per hectare landbouwgrond ontvangen ter compensatie van de kosten en de inkomensverliezen die het gevolg zijn van milieubepalingen van de Gemeenschap. Deze bedragen mogen in naar behoren gemotiveerde gevallen worden verhoogd gedurende een periode van maximaal vijf jaar en op degressieve basis.

Voldoen aan normen

Er kan steun worden toegekend om de landbouwers te helpen bij de aanpassing aan de veeleisende communautaire regelgeving inzake milieu, volksgezondheid, voedselveiligheid en arbeidsveiligheid.

Aan landbouwers die recent ingevoerde, van de communautaire regelgeving afgeleide nationale normen moeten toepassen, mag tijdelijke steun ter vergoeding van een deel van de kosten worden toegekend in de vorm van een jaarlijks, forfaitair, degressief steunbedrag van maximaal 10 000 euro per bedrijf. De steun mag worden toegekend gedurende een periode van maximaal vijf jaar vanaf de datum waarop de betreffende norm van toepassing wordt. Voor richtlijnen die nog niet correct zijn uitgevoerd door de lidstaat, mag steun worden toegekend gedurende maximaal vijf jaar te rekenen vanaf 28 oktober 2003.

Landbouwers mogen gebruik maken van bedrijfsadviseringsdiensten die in overeenstemming zijn met het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1782/2003. In dat geval bedraagt de totale steun maximaal 80% van de subsidiabele kosten en hoe dan ook niet meer dan 1 500 euro.

MODERNISERING EN DIVERSIFICATIE VAN LANDBOUWBEDRIJVEN

Investeringen in landbouwbedrijven

De steun voor investeringen in landbouwbedrijven moet bijdragen tot de verbetering van de landbouwinkomens en van de levens-, arbeids- en productieomstandigheden. De investeringen moeten gericht zijn op verlaging van de productiekosten, verbetering en omschakeling van de productie (met uitzondering van producties waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden), verhoging van de productkwaliteit en verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiëne en het dierenwelzijn.

De steun wordt enkel toegekend aan bedrijven die economisch levensvatbaar zijn, die voldoen aan minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn, en waar de landbouwer over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid beschikt. De voorwaarden voor investeringssteun moeten op het tijdstip van het individuele besluit tot toekenning van de steun zijn vervuld. Indien sprake is van investeringen om aan pas ingevoerde normen te voldoen, kan de landbouwer, met het oog op de inachtneming van deze normen, steun en extra tijd krijgen.

De steun mag in totaal niet meer bedragen dan 40% van de investeringen, verhoogd tot 50% in de probleemgebieden. Indien het gaat om investeringen door landbouwers die jonger zijn dan 40 jaar, mogen deze percentages gedurende een periode van maximaal vijf jaar vanaf de vestiging respectievelijk maximaal 50% en 60% bedragen.

Vestiging van jonge landbouwers

De vestigingssteun is bedoeld voor jonge landbouwers van minder dan 40 jaar die zich voor het eerst vestigen als bedrijfshoofd en die over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid beschikken. Voor het bedrijf geldt dat het economisch levensvatbaar moet zijn en aan de minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn moet voldoen.

De steun kan bestaan uit een eenmalige premie van maximaal 25 000 euro, ofwel uit een rentesubsidie voor leningen ter dekking van de vestigingskosten. Deze rentesubsidie mag niet hoger zijn dan de waarde van de premie, behalve indien het gaat om jonge landbouwers die gedurende een periode van drie jaar gebruik maken van bedrijfsadviseringsdiensten, in welk geval het steunbedrag maximaal 30 000 euro mag bedragen

Beroepsopleiding

De steun voor beroepsopleiding moet bijdragen tot een grotere vakbekwaamheid en deskundigheid van landbouwers en andere personen die betrokken zijn bij landbouw- en bosbouwactiviteiten, en is er in het bijzonder op gericht hen voor te bereiden op een kwalitatieve heroriëntering van de productie en op de toepassing van productiemethoden die verenigbaar zijn met landschapsbehoud, landschapsverbetering, milieubescherming en normen inzake hygiëne en dierenwelzijn. Daarnaast moet de steun hen ook helpen hun bedrijf beter te beheren.

Verbetering van de verwerking en afzet van landbouwproducten

Economisch levensvatbare ondernemingen die voldoen aan de minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn komen in aanmerking voor investeringssteun om de verbetering van de verwerking en afzet van landbouwproducten te vergemakkelijken. Kleine verwerkingsbedrijven komen eveneens in aanmerking voor steun en meer tijd om aan recent ingevoerde minimumnormen te voldoen. De steun is bedoeld om het concurrentievermogen te vergroten en de producten een grotere toegevoegde waarde te verlenen door verbetering van de wijze waarop zij worden aangeboden, rationalisatie van de afzetkanalen of van de verwerkingsprocédés, sturing van de productie in de richting van nieuwe afzetmogelijkheden, ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën, bewaking van de kwaliteit en van de omstandigheden op het gebied van gezondheid, innovatie en milieubescherming. Investeringen op het niveau van de detailhandel en investeringen in de verwerking of afzet van producten uit derde landen zijn van de steunverlening uitgesloten.

De communautaire steun kan tot 50% van de subsidiabele investeringen bedragen in de regio's van doelstelling 1 en tot 40% in de overige regio's. De investeringen moeten in elk geval bijdragen tot het verbeteren van de situatie van de betrokken sector van de agrarische basisproductie.

Bosbouw

In het kader van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap en de lidstaten, en van de bosplannen van de lidstaten kan steun worden toegekend voor bossen die eigendom zijn van particuliere personen of verenigingen daarvan, of van gemeenten of verenigingen daarvan. De steun kan betrekking hebben op:

  • verbetering van andere dan landbouwgrond: de hieronder vallende maatregelen omvatten bebossing, investeringen om de waarde van de bossen te vergroten en de oogst, de verwerking en de afzet van bosbouwproducten te verbeteren, ontsluiting van afzetmarkten voor bosbouwproducten, bevordering van de oprichting van verenigingen van bosbezitters, herstel van het productiepotentieel na natuurrampen of branden en het treffen van passende preventieve maatregelen.
  • bebossing van landbouwgrond: er kan een jaarlijkse premie per hectare worden verleend ter dekking van de aanleg- en onderhoudskosten en ter dekking van de door bebossing gederfde inkomsten van landbouwers. De premies kunnen tot 725 of 185 euro per jaar en per hectare bedragen, afhankelijk van de kenmerken van de exploitant. Steun die wordt toegekend voor de bebossing van landbouwgrond die eigendom is van overheidsinstanties, dekt alleen de aanlegkosten. Er wordt geen steun toegekend aan landbouwers die steun voor vervroegde uittreding ontvangen, of voor de aanplant van kerstbomen.
  • instandhouding van bossen die een beschermende of ecologische rol hebben die het algemeen belang dient, maar die te weinig opbrengen om de kosten van maatregelen voor het behoud van de bossen te bekostigen, en instandhouding van brandstroken: voor de betrokken maatregelen kan steun ten bedrage van 40 en 120 euro per jaar en per hectare worden toegekend.

Maatregelen in gebieden die als zeer brandgevaarlijk of middelmatig brandgevaarlijk zijn ingedeeld, moeten in overeenstemming zijn met de nationale plannen overeenkomstig de Europese wetgeving inzake de bescherming van bossen.

Bevordering van de aanpassing en de ontwikkeling van plattelandsgebieden

Er kan eveneens communautaire steun worden verleend voor maatregelen die buiten de sfeer van de hierboven genoemde maatregelen vallen, en gericht zijn op de omschakeling en de verbetering van de landbouwactiviteiten. Het gaat dan met name over herverkaveling, oprichting van bedrijfsadviseringsdiensten, afzet van kwaliteitslandbouwproducten, ontwikkeling van diensten die belangrijk zijn voor het plattelandsweefsel, dorpsvernieuwing en bescherming van het landelijke erfgoed, stimulering van toeristische en ambachtelijke activiteiten, beheer van geïntegreerde strategieën voor plattelandsontwikkeling door plaatselijke partnerschappen, enz.

In de tien nieuwe lidstaten mag geen financiële steun voor herverkaveling worden toegekend. Wel mag er steun worden verleend om de exploitanten in staat te stellen te voldoen aan een Europese norm die vóór de datum van toetreding (1 mei 2004) is vastgesteld en met ingang van die of een latere datum bindend is geworden. Deze mogelijkheid bestaat alleen voor de eerste drie jaren van de steunperiode en er moet een jaarlijks maximumbedrag van 25 000 euro per bedrijf in acht worden genomen.

ALGEMENE SLOTBEPALINGEN

EOGFL-financiering

Gedurende de periode 2000-2006 zal jaarlijks 4 300 tot 4 370 miljoen euro worden uitgetrokken voor plattelandsontwikkeling en begeleidende maatregelen. De maatregelen zullen worden gefinancierd uit het EOGFL, afdeling Garantie of afdeling Oriëntatie, naargelang van de situatie van de betrokken regio. Zo zal de steun voor vervroegde uittreding, voor probleemgebieden, voor gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied, voor milieumaatregelen in de landbouw, voor dierenwelzijn, voor voedselkwaliteit en voor bebossing van landbouwgrond uit de afdeling Garantie worden gefinancierd. De andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling zullen, wat betreft de gebieden die onder doelstelling 1 vallen, uit de afdeling Oriëntatie en, wat betreft de gebieden buiten doelstelling 1, uit de afdeling Garantie worden gefinancierd. De Commissie kan het toepassingsgebied van de maatregelen die in aanmerking komen voor financiële steun uit het EOGFL-Oriëntatie uitbreiden en voorstellen dat studies in verband met de programmering uit het EOGFL-Garantie worden gefinancierd.

Tot slot worden ook de maatregelen voor de aanpassing en de ontwikkeling van plattelandsgebieden, die betrekking hebben op dorpsvernieuwing en -ontwikkeling,op de bescherming en instandhouding van het landelijke erfgoed, op de diversificatie van de landbouwbedrijvigheid en op de verbetering van de plattelandsinfrastructuur, en die niet uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) worden gefinancierd in het kader van doelstelling 1, doelstelling 2 of de maatregel voor zones die overgangssteun ontvangen, uit het EOGFL gefinancierd.

Verenigbaarheid en coherentie

De maatregelen voor plattelandsontwikkeling moeten in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht en sporen met de andere takken van communautair beleid. Met name moet de coherentie verzekerd zijn met de maatregelen van het GLB in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen en de maatregelen inzake kwaliteit van landbouwproducten en de gezondheid. In het kader van deze verordening mag geen steun worden toegekend voor maatregelen om onderzoeksprojecten te ondersteunen of dierziekten te bestrijden.

Daarnaast geldt dat een maatregel waarvoor op grond van deze verordening steun wordt verleend, niet terzelfder tijd ook steun uit een andere communautaire regeling kan ontvangen, en dat een maatregel die onverenigbaar is met een voorwaarde van deze verordening, evenmin in aanmerking komt voor andere communautaire steunregelingen.

De steun die de lidstaten toekennen voor plattelandsontwikkeling, moet in overeenstemming zijn met de communautaire bepalingen inzake staatssteun in de landbouwsector, moet binnen de grenzen blijven die door de Raad zijn vastgesteld in de landbouwverordeningen en -richtlijnen (indien deze limieten worden overschreden, moeten de steunmaatregelen door de lidstaten worden gemeld en door de Commissie worden goedgekeurd), en moet sporen met de communautaire bepalingen op het gebied van plattelandsontwikkeling. Dit betekent:

  • dat nationale steun voor investeringen waarbij de voor communautaire steun vastgestelde percentages worden overschreden, niet is toegestaan, tenzij het gaat om investeringen ter verbetering van het milieu, de hygiëne of het dierenwelzijn, die het algemeen belang dienen;
  • dat voor steun ter compensatie van natuurlijke belemmeringen altijd de communautaire bepalingen moeten worden geëerbiedigd;
  • dat voor steun ten behoeve van milieumaatregelen in de landbouw altijd de communautaire voorwaarden en drempels moeten worden gerespecteerd, met dien verstande dat de drempels eventueel mogen worden overschreden indien zulks noodzakelijk is om de gederfde inkomsten, de extra kosten e.d. correct te compenseren.

Bestreken gebieden en programmering

Om te waarborgen dat het beleid van plattelandsontwikkeling alle plattelandsgebieden van de Gemeenschap bestrijkt, moeten de in deze verordening vervatte maatregelen worden ingepast in de volgende meerjarenprogramma's:

  • programma's van doelstelling 1: voor de maatregelen die uit het EOGFL-Oriëntatie worden gefinancierd;
  • programma's van doelstelling 2: voor de maatregelen betreffende vervroegde uittreding, probleemgebieden en gebieden waar milieubeperkingen gelden, de milieumaatregelen in de landbouw en de maatregelen inzake bebossing van landbouwgrond;
  • programma's voor plattelandsontwikkeling: voor de overige maatregelen.

Deze programma's voor plattelandsontwikkeling zijn gebaseerd op plannen die door de lidstaten, op het geografische niveau dat het meest geschikt wordt geacht, voor een periode van zeven jaar (2000-2006) zijn vastgesteld. Deze plannen bevatten een beschrijving van de huidige situatie van het gebied, de voorgestelde strategie, de verwachte impact, de financiële planning, de overwogen maatregelen, o.a. op milieugebied, de noodzakelijke studies en technische maatregelen, de verantwoordelijke autoriteiten, en de maatregelen die een doeltreffende uitvoering van het plan mogelijk maken. De lidstaten hebben de betrokken plannen ten laatste zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening ingediend bij de Commissie, die ze vervolgens binnen een termijn van zes maanden heeft vastgesteld.

Financiële bepalingen

De bepalingen van de verordening betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn, behoudens in enkele gevallen voor maatregelen die verband houden met doelstelling 2, van toepassing op de maatregelen voor plattelandsontwikkeling.

De financiële planning van de communautaire steun maakt deel uit van de programmering van de plattelandsontwikkeling. De Commissie verricht aanvankelijke en jaarlijkse toewijzingen aan de lidstaten, op basis van de behoeften en de te leveren inspanningen. De aanvankelijke toewijzingen kunnen worden aangepast in het licht van de werkelijke uitgaven en op basis van de herziene uitgavenramingen die de lidstaten indienen.

De bijdrage van de Gemeenschap in de financiering bedraagt ten minste 25% van de subsidiabele overheidsuitgaven en ten hoogste 50% van de totale subsidiabele kosten. Overeenkomstig de algemene regelgeving inzake de Structuurfondsen bedraagt deze bijdrage voor milieumaatregelen in de landbouw tot 85% in de gebieden die onder doelstelling 1 vallen en tot 60% in de andere gebieden. Bijzondere bepalingen zijn opgenomen voor de medefinanciering van investeringen die inkomsten voortbrengen.

Toezicht en evaluatie

De lidstaten dragen zorg voor een doeltreffend toezicht op de tenuitvoerlegging van de programmering van de plattelandsontwikkeling en maken daarbij gebruik van materiële en financiële indicatoren die met de Commissie zijn overeengekomen. Zo nodig worden toezichtcomités opgericht. Het resultaat van dit toezicht wordt in de jaarverslagen aan de Commissie medegedeeld.

Voor de evaluatie gelden de regels van de verordening inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Uitvoeringsbepalingen

De toekenningsvoorwaarden, de wijze van berekening van de vergoedingen, de toepassingsperioden en -voorwaarden worden later door de Commissie vastgesteld, evenals de uitvoeringsbepalingen voor de indiening van de plannen voor plattelandsontwikkeling, de herziening van de programma's, de financiële planning, het toezicht en de evaluatie, en de coherentie tussen de plattelandsontwikkeling en de marktordeningen.

Meer informatie is beschikbaar op de site van het directoraat-generaal Landbouw onder de rubriek .

In de periode 2000-2006 worden in het kader van het communautaire initiatief Leader+ stimulansen geboden voor de invoering van originele geïntegreerde strategieën die gericht zijn op duurzame plattelandsontwikkeling. Dit initiatief legt de nadruk op lokale partnerschappen en bevordert netwerkvorming tussen plattelandsgebieden.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Verordening (EG) nr. 1257/1999 [vaststelling: CNS/1998/102]3.7.1999-L 160 van 26.6.1999

WijzigingsbesluitenDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Verordening (EG) nr. 1783/200328.10.2003-L 270 van 21.10.2003
Verordening (EG) nr. 567/20041.5.2004-L 90 van 27.3.2004
Verordening (EG) nr. 583/20041.5.2004-L 91 van 30.3.2004

GERELATEERDE BESLUITEN

TOEPASSINGSBEPALINGEN

Verordening (EG) nr. 817/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) [Publicatieblad L 153 van 30.4.2004].
De in deze verordening vastgestelde uitvoeringsbepalingen beperken zich tot de bepalingen die op communautair niveau moeten worden vastgesteld. In de verordening wordt bepaald in welke omstandigheden en volgens welke criteria de steun voor plattelandsontwikkeling waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1257/1999, mag worden verleend. Het gaat dan onder meer om investeringen in landbouwbedrijven, de vestiging van jonge landbouwers, opleiding, vervroegde uittreding, bosbouw en agromilieumaatregelen. De verordening bevat bovendien bepalingen over de bekwaamheden en de middelen van de autoriteiten of instanties die worden geselecteerd voor de verlening van bedrijfsadviseringsdiensten. Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties die steun ontvangen in het kader van Verordening (EG) nr. 2826/2000 zijn uitgesloten van de toepassing van deze verordening. Andere onderwerpen die in de verordening worden behandeld, zijn de indiening van de plannen voor plattelandsontwikkeling, de samenstelling van het totaalbedrag van de communautaire steunverlening, financiële bepalingen en de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van toezicht en evaluatie. Tot slot bevat de verordening bepalingen over controles van de steunaanvragen en de betreffende sancties.

Verordening (EG) nr. 141/2004 van de Commissie van 28 januari 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad ten aanzien van de overgangsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling die gelden voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije [Publicatieblad L 24 van 29.01.2004].
Bij deze verordening zijn de specifieke overgangsbepalingen voor de nieuwe lidstaten in het algemeen, en Malta in het bijzonder vastgesteld. De bepalingen hebben betrekking op steun aan semi-zelfvoorzieningsbedrijven in herstructurering, technische bijstand en aanvullingen op de rechtstreekse betalingen. In hun plan voor plattelandsontwikkeling moeten de nieuwe lidstaten informatie verstrekken over deze overgangsmaatregelen, over producentenverenigingen en over maatregelen van het type Leader+. Zij maken gebruik van een standaardtabel inzake de programmering per jaar. De evaluatie halverwege de looptijd is in de programmeringsperiode 2004-2006 niet van toepassing voor de nieuwe lidstaten.

Gewijzigd bij:

Verordening (EG) nr. 740/2004 van de Commissie [Publicatieblad L 116 van 22.4.2004]

Verordening (EG) nr. 27/2004 van de Commissie van 5 januari 2004 houdende overgangsbepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad met betrekking tot de financiering door het EOGFL, afdeling Garantie, van de maatregelen voor plattelandsontwikkeling in Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije [Publicatieblad L 5 van 9.1.2004]
Deze verordening bevat specifieke bepalingen over de subsidiabiliteit van de uitgaven, de betalingen, de betaalorganen, het gebruik van de euro, de goedkeuring van de rekeningen en de aanvullingen op de rechtstreekse betalingen.

TOEWIJZING VAN DE MIDDELEN

Besluit 2004/21/EG van de Commissie van 29 december 2003 tot vaststelling van de indicatieve toewijzingen aan Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, voor de maatregelen voor plattelandsontwikkeling voor de periode van 2004 tot en met 2006 [Publicatieblad L 5 van 9.1.2004].
In dit besluit zijn de indicatieve toewijzingen vastgesteld voor de uit het EOGFL, afdeling Garantie, gecofinancierde steun voor plattelandsontwikkeling. Het totale bedrag van deze steun voor de nieuwe lidstaten bedraagt 5 760 miljoen euro voor de periode 2004-2006.

OVERGANGSREGELING

Verordening (EG) nr. 2603/1999 van de Commissie van 9 december 1999 tot vaststelling van overgangsbepalingen inzake de in Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad voorziene steun voor plattelandsontwikkeling [Publicatieblad L 316 van 10.12.1999].
Bij deze verordening worden specifieke maatregelen vastgesteld om de overgang van de thans geldende steunregelingen voor plattelandsontwikkeling naar de nieuwe regeling tijdens de overgangsperiode te vergemakkelijken:

  • de Commissie mag geen enkele maatregel of wijziging van een maatregel die op de geldende regeling is gebaseerd, verlengen tot na 31 december 1999, tenzij dit om dwingende redenen noodzakelijk is;
  • wat de landbouwmilieusteun betreft, mogen de lidstaten vanaf 30 juni 1999 de verbintenissen verlengen tot uiterlijk 31 december 2000, en nieuwe contracten sluiten vóór 1 januari 2000;
  • betalingen op grond van verbintenissen die de lidstaten vóór 1 januari 2000 hebben aangegaan en die in het kader van de nieuwe regeling door het EOGFL-Garantie zullen worden gefinancierd, worden verder door het EOGFL-Garantie gefinancierd tot en met 31 december 2001.

Voorts worden preciseringen gegeven over het tijdstip vanaf wanneer uitgaven voor steun uit het EOGFL-Garantie in aanmerking komen, over de mogelijkheid om nog gedurende een overgangsperiode van één jaar betalingen per dier te blijven doen en over de datum waarop de regels inzake staatssteun van toepassing zullen worden voor nieuwe steunmaatregelen.

Deze verordening is gewijzigd bij:

- Verordening (EG) nr. 1929/2000 [Publicatieblad L 231 van 13.9.2000].
De lidstaten worden gemachtigd de verbintenissen met betrekking tot milieumaatregelen in de landbouw die op grond van de vroegere wetgeving zijn gesloten, om te zetten in een nieuwe verbintenis met een looptijd van vijf jaar of meer in het kader van Verordening (EG) nr. 1257/1999.
- Verordening (EG) nr. 2055/2001 [Publicatieblad L 277 van 20.10.2001]
- Verordening (EG) nr. 568/2003 van de Commissie [Publicatieblad L 82 van 29.3.2003].

GOEDKEURING VAN DE PROGRAMMA'S VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING

Beschikking van 27.6.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (continentaal Finland)
Beschikking van 14.7.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Oostenrijk)
Beschikkingen van 20.7.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(regio's Emilia-Romagna, Abruzzen, Lazio, Umbrië en Lombardije, en continentaal Finland buiten doelstelling 1)
Beschikkingen van 7.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Beieren, Baden-Württemberg, Noord-Rijn-Westfalen, Saksen, Saksen-Anhalt, regio's Piemonte en Toscane, Frankrijk en Zweden)
Beschikking van 8.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Schleswig-Holstein)
Beschikking van 13.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(gemeenschap Aragon)
Beschikkingen van 14.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Navarra en Catalonië)
Beschikkingen van 15.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (regio's Trento, Lombardije en Bolzano, en Madrid)
Beschikkingen van 18.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (algemene bepalingen betreffende Duitsland en Hamburg)
Beschikking van 25.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Waals Gewest)
Beschikkingen van 26.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (regio's Ligurië en Marche)
Beschikking van 27.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Griekenland)
Beschikking van 28.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Ierland en Nederland)
Beschikkingen van 29.9.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (regio Friuli-Venezia Giulia, autonome regio Valle d'Aosta, regio Veneto, Rijnland-Palts, Hessen, Mecklenburg-Vorpommeren, Thüringen, Brandenburg, Saarland, Niedersachsen, Luxemburg en Denemarken)
Beschikking van 4.10.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Bremen)
Beschikkingen van 5.10.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Alandeilanden, Baskenland en La Rioja)
Beschikkingen van 6.10.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Vlaams Gewest en federaal België)
Beschikkingen van 11.10.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Engeland en Wales)
Beschikking van 22.11.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Portugal)
Beschikking van 24.11.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Spanje: verbetering van de productiestructuur in de Spaanse regio's buiten doelstelling 1, de Balearen)
Beschikking van 4.12.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Noord-Ierland)
Beschikking van 6.12.2000 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Schotland)
Beschikking van 23.1.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Sicilië)
Beschikking van 1.3.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(de Azoren)
Beschikking van 2.3.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Apulië)
Beschikking van 16.3.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad (Molise)
Beschikking van 30.4.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Madeira)
Beschikking van 3.5.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Campanië)
Beschikking van 29.5.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Berlijn)
Beschikking van 15.6.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Calabrië)
Beschikking van 21.12.2001 - Niet verschenen in het Publicatieblad
(Sardinië)

Laatste wijziging: 04.07.2007

Zie ook

Op de site van het directoraat-generaal Landbouw vindt u informatie over de plattelandsontwikkeling in de nieuwe lidstaten.

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven