RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 23 talen
Nieuwe beschikbare talen:  BG - CS - ET - GA - LV - LT - HU - MT - PL - RO - SK - SL

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Algemene bepalingen EFRO - ESF - Cohesiefonds (2007-2013)

In het kader van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 worden in deze verordening de gemeenschappelijke regels, normen en principes vastgesteld die van toepassing zijn op het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds. De verordening voorziet in een totale toewijzing van 347 miljard euro, wat neerkomt op ongeveer één derde van de Europese begroting.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, van 11 juli 2006, houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 [Zie wijzigingsbesluit(en)].

SAMENVATTING

Deze verordening heeft ten doel de economische en sociale cohesie te versterken om op deze wijze de harmonieuze, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de regio’s van de Europese Unie (EU) in de periode 2007-2013 te bevorderen. Het Europees cohesiebeleid heeft ten doel oplossingen te bieden voor de problemen die het gevolg zijn van de sociale, territoriale en economische verschillen, de versnelde economische herstructureringen en de vergrijzing van de bevolking.

Bij deze verordening:

  • wordt het kader voor het cohesiebeleid vastgesteld (met inbegrip van de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap inzake cohesie, groei en werkgelegenheid);
  • worden de doelstellingen vastgesteld waaraan de Structuurfondsen en het Cohesiefonds (hierna "de Fondsen" genoemd) moeten bijdragen;
  • worden de criteria vastgesteld waaraan de lidstaten en de regio's moeten voldoen om voor bijstand uit deze Fondsen in aanmerking te komen;
  • worden de beschikbare financiële middelen en de criteria voor de toewijzing daarvan vastgesteld;
  • worden de beginselen en bepalingen betreffende partnerschap, programmering, evaluatie, beheer, toezicht en controle vastgesteld waarbij van de gedeelde verantwoordelijkheid van de lidstaten en de Commissie wordt uitgegaan.

DRIE NIEUWE DOELSTELLINGEN

In het kader van het regionaal beleid wordt voor de periode 2007 tot 2013 voor de drie nieuwe doelstellingen: "convergentie", "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" en "territoriale samenwerking" in totaal 308,041 miljard bestemd. Deze doelstellingen vervangen de doelstellingen 1, 2 en 3 van de programmeringsperiode 2000-2006.

Convergentie

De doelstelling "convergentie", die grotendeels overeenstemt met de vroegere doelstelling 1, beoogt de snellere aansluiting van de minst ontwikkelde lidstaten en regio's bij de andere door een verbetering van de voorwaarden voor groei en werkgelegenheid. Zij is dus op de minst ontwikkelde lidstaten en regio's gericht. De actiegebieden zullen zijn: fysiek en menselijk kapitaal, innovatie, de kennismaatschappij, het vermogen zich aan veranderingen aan te passen, het milieu en administratieve efficiëntie. De doelstelling zal uit het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds worden gefinancierd.

De voor deze doelstelling toegewezen middelen bedragen 81,54 % van het totaal. Komen in aanmerking:

  • voor steun uit de Structuurfondsen (EFRO en ESF):
    1. de regio's waar het BBP per inwoner minder dan 75 % van het Europese gemiddelde bedraagt. Zij dienen overeen te komen met het niveau NUTS II. Van het totaal van de Fondsen voor deze doelstelling is 70,51 % voor deze regio's bestemd;
    2. de regio's die volgens de statistieken de 75 %-norm voor het BBP per inwoner (als gevolg van de uitbreiding van de EU met minder begunstigde regio’s) overschrijden; deze regio's zullen specifieke overgangssteun ontvangen die geleidelijk wordt afgebouwd. Voor deze regio's is 9 % van het totale bedrag van de Fondsen bestemd;
  • voor steun uit het Cohesiefonds: de lidstaten waar het bruto nationaal inkomen (BNI) per inwoner minder dan 90 % van het Europese gemiddelde bedraagt en programma's voor economische convergentie ten uitvoer worden gelegd. Deze zullen 23,22 % van de middelen ontvangen die voor deze doelstelling zijn toegewezen. De regio's die volgens de statistieken de 90 %-norm voor het BBP per inwoner (als gevolg van de uitbreiding van de EU met minder begunstigde regio’s) overschrijden, zullen specifieke overgangssteun ontvangen die geleidelijk wordt afgebouwd;
  • voor een specifieke financiering uit het EFRO: de ultraperifere regio's. De financiering heeft ten doel de integratie van deze regio's in de interne markt te vergemakkelijken en met hun specifieke moeilijkheden rekening te houden (een vergoeding voor de extra kosten die vooral te wijten zijn aan de grote afstanden).

Voor deze doelstelling gelden de volgende maxima voor de medefinancieringspercentages:

  • 75 % van de overheidsuitgaven bij medefinanciering uit het EFRO of het ESF. Dit plafond kan tot 80 % worden verhoogd wanneer de in aanmerking komende regio's gelegen zijn in een lidstaat die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komt. Indien het om ultraperifere regio's gaat, kan het plafond zelfs tot 85 % worden verhoogd;
  • 85 % van de overheidsuitgaven bij medefinanciering uit het Cohesiefonds;
  • 50 % van de overheidsuitgaven bij medefinanciering in de ultraperifere regio's (nieuwe aanvullende toewijzing uit het EFRO, gericht op compensatie van de meerkosten).

Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid

De doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" beoogt het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en de aantrekkingskracht van de regio's te vergroten en geldt voor andere dan de minst begunstigde regio's. Deze doelstelling moet het mogelijk maken op economische en sociale veranderingen te anticiperen en innovatie, ondernemerschap, bescherming van het milieu, toegankelijkheid, aanpassingsvermogen en ontwikkeling van inclusieve arbeidsmarkten te bevorderen. De doelstelling wordt uit het EFRO en het ESF gefinancierd.

De in aanmerking komende regio's zijn:

  • de regio's die in de periode 2000-2006 onder doelstelling 1vielen doch als regio niet meer voldoen aan de criteria van de doelstelling "Convergentie" en derhalve overgangssteun ontvangen. De Commissie dient van deze regio's een lijst op te stellen die, nadat ze is goedgekeurd, van 2007 tot en met 2013 zal gelden;
  • alle andere regio's van de EU die niet voor steun in het kader van de doelstelling "Convergentie" in aanmerking komen.

Voor de uit het ESF gefinancierde programma's stelt de Commissie vier prioriteiten overeenkomstig de Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS) voor: vergroting van het aanpassingsvermogen van werknemers en ondernemingen, verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt, versterking van de sociale insluiting en het op gang brengen van hervormingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale insluiting.

De voor deze doelstelling bestemde middelen bedragen 49,13 miljard euro, of 15,95 % van het totaal, gelijk verdeeld tussen het EFRO en het ESF. Van dit bedrag zal:

  • 78,86 % bestemd zijn voor de regio's die niet onder de doelstelling "convergentie" vallen;
  • 21,14 % bestemd zijn voor aflopende overgangssteun.

De maatregelen kunnen in het kader van deze doelstelling worden gecofinancierd tot ten hoogste 50 % van de overheidsuitgaven. Voor de ultraperifere regio's bedraagt deze bovengrens 85 %.

Europese territoriale samenwerking

Met de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" wordt beoogd de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking te intensiveren, uitgaande van het vroegere Europese initiatief INTERREG. De doelstelling zal uit het EFRO worden gefinancierd. Doel is het bevorderen van gezamenlijke oplossingen voor naburige overheden bij de stads-, plattelands- en kustontwikkeling, de ontwikkeling van economische relaties en de vorming van netwerken voor middelgrote en kleine bedrijven (het MKB). De samenwerking zal vooral gericht zijn op onderzoek en ontwikkeling, de informatiemaatschappij, het milieu, risicopreventie en geïntegreerd waterbeheer.

Voor deze doelstelling komen de regio's van het niveau NUTS III in aanmerking die zich langs interne en bepaalde externe landgrenzen bevinden alsmede sommige regio's die zich langs maritieme grenzen bevinden en ten hoogste 150 km van elkaar verwijderd zijn. De Commissie zal een lijst van in aanmerking komende regio's opstellen.

Voor de samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van ervaringen komt het gehele grondgebied van de EU in aanmerking. Het plafond voor de medefinanciering bedraagt 75 % van de overheidsuitgaven.

Voor deze doelstelling zijn 7,75 miljard euro (of 2,52 % van het totaal) gereserveerd die volledig uit het EFRO worden gefinancierd. Dit bedrag wordt als volgt over de verschillende onderdelen verdeeld:

  • 73,86 % voor de financiering van de grensoverschrijdende samenwerking;
  • 20,95 % voor de financiering van de transnationale samenwerking;
  • 5,19 % voor de financiering van de interregionale samenwerking.

BEPALINGEN VOOR DE DRIE DOELSTELLINGEN

Beginselen van de bijstandsverlening

De bijstand uit de Fondsen is een aanvulling op nationale acties met inbegrip van regionale en plaatselijke acties. De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de bijstand uit de Fondsen coherent is met de activiteiten, beleidstakken en prioriteiten van de EU en complementair met de andere Europese financiële instrumenten.

De doelstellingen van de Fondsen worden verwezenlijkt in het kader van een meerjarenprogrammering en een nauwe samenwerking tussen de Commissie en iedere lidstaat.

Strategische aanpak

De Raad neemt de "communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie" vóór 1 januari 2007 aan. Hierin worden de prioriteiten en doelstellingen van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 vastgelegd. Zo dragen ze bij aan de coherentie en een doeltreffende tenuitvoerlegging van de Structuurfondsen.

Op basis van deze richtsnoeren neemt iedere lidstaat een "nationaal strategisch referentiekader" aan. Dit referentiekader fungeert als basis voor de programmering van de acties die via de Fondsen worden gefinancierd en zorgt voor coherentie tussen de bijstand uit de Fondsen en de strategische richtsnoeren.

Operationele programma's

De operationele programma's van de lidstaten hebben betrekking op een periode tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013. Elk operationeel programma heeft slechts betrekking op één van de drie doelstellingen en wordt slechts uit één enkel Fonds gefinancierd. De Commissie evalueert ieder voorgesteld programma om na te gaan of het beantwoordt aan de doelstellingen en prioriteiten van:

  • het nationaal strategisch referentiekader;
  • de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap inzake cohesie.

De operationele programma's die betrekking hebben op de doelstellingen "convergentie" en "regionale samenwerking en werkgelegenheid" omvatten onder meer:

  • de motivering van de gekozen prioriteiten in het licht van de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie en het nationaal strategisch referentiekader;
  • gegevens over de prioritaire assen en de bijbehorende specifieke doelen;
  • een financieringsplan;
  • de regelingen voor de tenuitvoerlegging van het operationele programma;
  • een lijst van de grote projecten. Het betreft projecten in het kader van een actie bestaande uit een geheel van werkzaamheden, activiteiten of diensten waarvan de totale kosten 25 miljoen euro overschrijden indien het milieuprojecten betreft en 50 miljoen euro indien het projecten op andere gebieden betreft.

Beheer, toezicht en controle

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer en de controle van de operationele programma's. Zij zorgen er met name voor dat beheers- en controlesystemen voor operationele programma's worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Zij voorkomen onregelmatigheden, sporen ze op en corrigeren ze en vorderen onverschuldigd betaalde bedragen terug.

De door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen voor de operationele programma's voorzien in:

  • de omschrijving van de functies van de bij het beheer en de controle betrokken instanties;
  • de naleving van het beginsel van functiescheiding tussen dergelijke instanties;
  • procedures om te zorgen voor de juistheid en regelmatigheid van de in het kader van het operationele programma gedeclareerde uitgaven;
  • systemen voor de boekhouding, het toezicht en de financiële verslaglegging;
  • in de gevallen waarin de verantwoordelijke instantie de uitvoering van taken aan een andere instantie toevertrouwt, een systeem voor de verslaglegging en het toezicht;
  • regelingen voor de auditing om na te gaan of het systeem functioneert;
  • systemen en procedures om voor een toereikend controlespoor te zorgen;
  • procedures voor de verslaglegging over en het toezicht op onregelmatigheden en voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

Voor elk operationeel programma wijst de lidstaat de volgende autoriteiten aan:

  • een managementautoriteit (een nationale, regionale of plaatselijke openbare autoriteit of een overheids- of particuliere instantie die het operationeel programma beheert;
  • een certificeringsautoriteit: een nationale, regionale of plaatselijke openbare autoriteit of overheidsinstantie die uitgavendeclaraties en betalingsaanvragen certificeert voordat zij aan de Commissie worden toegezonden;
  • een auditautoriteit: een nationale, regionale of plaatselijke openbare autoriteit of overheidsinstantie die is aangewezen voor elk operationeel programma en verantwoordelijk is voor het verifiëren van de goede werking van het beheers- en controlesysteem.

Voorlichting en publiciteit

De lidstaten en de managementautoriteit voor het operationele programma dragen zorg voor de voorlichting en de publiciteit met betrekking tot de concrete acties en medegefinancierde programma's. Die voorlichting is gericht op de burgers van de Europese Unie en de begunstigden en heeft tot doel de rol van de Gemeenschap onder de aandacht te brengen en de bijstandsverlening uit de Fondsen transparant te maken.

CONTEXT

De andere bepalingen met betrekking tot het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 zijn opgenomen in de vier specifieke verordeningen:

Op politiek vlak wordt de financiële grondslag van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 gevormd door het interinstitutioneel akkoord en het financieel kader voor 2007-2013.

OVERZICHTSTABEL

DoelstellingenFinanciële instrumenten
ConvergentieEFRO
ESF
Cohesiefonds
Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheidEFRO
ESF
Europese territoriale samenwerkingEFRO

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 1083/2006

1.8.2006

-

L 210 van 31.7.2006

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 1341/2008

24.12.2008

-

L 348 van 24.12.2008

Verordening (EG) nr. 85/2009

30.1.2009

-

L 25 van 29.1.2009

Verordening (EG) nr. 284/2009

9.4.2009

-

L 94 van 8.4.2009

Verordening (EU) nr. 539/2010

25.6.2010

-

L 158 van 24.6.2010

Verordening (EU) nr. 1310/2011

23.12.2011

-

L 337 van 20.12.2011

Verordening (EU) nr. 1311/2011

20.12.2011

-

L 337 van 20.12.2011

Verordening (EU) nr. 423/2012

23.5.2012

-

L 133 van 23.5.2012

De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Verordening (EG) nr. 1083/2006 zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.

GERELATEERDE BESLUITEN

Besluit 2010/802/EU van de Commissie van 21 december 2010 tot vrijstelling van bepaalde gevallen van onregelmatigheden, begaan bij door de structuurfondsen en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2000-2006 medegefinancierde activiteiten, van de speciale kennisgevingsvoorschriften, vastgesteld in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1681/94 en artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/94 [Publicatieblad L 341 van 23.12.2010].

Besluit 2007/766/EG van de Commissie van 14 november 2007 tot vaststelling van een lijst van regio's en gebieden die in aanmerking komen voor financiering in het kader van het onderdeel grensoverschrijdende samenwerking van het instrument voor pretoetredingssteun op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten en begunstigde landen voor de periode 2007-2013 [Publicatieblad L 310 van 28.11.2007].

Beschikking 2006/769/EG van de Commissie van 31 oktober 2006 tot vaststelling van de lijst van regio's en gebieden die in aanmerking komen voor financiering uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling in het kader van de grensoverschrijdende en transnationale onderdelen van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" voor de periode 2007-2013 [Publicatieblad L 312 van 11.11.2006].

Beschikking 2006/597/EG van de Commissie van 4 augustus 2006 tot vaststelling van de lijst van de regio's die uit hoofde van de doelstelling regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid bij wijze van specifieke overgangsmaatregel in aanmerking komen voor financiering uit de Structuurfondsen voor de periode 2007-2013 [Publicatieblad L 243 van 6.9.2006].

Beschikking 2006/596/EG/ van de Commissie van 4 augustus 2006 tot vaststelling van de lijst van de lidstaten die in aanmerking voor financiering uit het Cohesiefonds voor de periode 2007-2013 [Publicatieblad L 243 van 6.9.2006].

Beschikking 2006/595/EG van de Commissie van 4 augustus 2006 tot vaststelling van de lijst van de regio's die uit hoofde van de "convergentie"-doelstelling in aanmerking komen voor financiering uit de Structuurfondsen voor de periode 2007-2013 [Publicatieblad L 243 van 6.9.2006].

Laatste wijziging: 31.01.2013
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven