Normale tekstgrootteTekstgrootte 150%

Vervoer, energie en milieu

Vervoer en energie zijn van levensbelang voor de economie van de Europese Unie. In Europa worden mensen en de producten die zij in steeds grotere hoeveelheden en soorten kopen, over het hele continent met allerlei vervoermiddelen, maar vooral over de weg vervoerd.

Naarmate de economie groeit, neemt ook de vraag naar vervoer en energie toe. Maar hierdoor ontstaan steeds meer verkeersopstoppingen en wordt alsmaar meer brandstof verbruikt, wat weer tot meer vervuiling leidt. Deze problemen spelen in heel Europa en vragen dan ook om oplossingen die gelden voor heel Europa en waarover op EU-niveau beslist wordt.

De EU geeft topprioriteit aan duurzame ontwikkeling en houdt in al haar beleidsbeslissingen rekening met het milieu.

Vervoer over land, over zee en door de lucht

Spoorwegen en binnenwateren (d.w.z. rivieren en kanalen), ooit zo belangrijk voor het vervoer van goederen en personen in Europa, nemen nu nog maar een klein percentage van het totale vervoer voor hun rekening. Driekwart van het vrachtvervoer van de Europese Unie gebeurt nu over de weg, terwijl ruim driekwart van de reizigers in de EU zich over de weg verplaatst.

Volgens de voorspellingen zal het wegvervoer verreweg het belangrijkste personenvervoermiddel blijven en zal de sterke groei van het luchtverkeer doorzetten.

Om de overvolle wegen te ontlasten en het milieu te verbeteren, moedigt de EU de mensen aan het openbaar vervoer te nemen en spoort ze transportbedrijven aan hun vracht via het spoor, over de binnenwateren of over zee te vervoeren.

Om de congestie op de Europese luchthavens aan te pakken, wil de EU één enkel luchtverkeersleidingssysteem voor heel Europa (het ‘gemeenschappelijk Europees luchtruim’) tot stand brengen.

Betrouwbare energievoorziening

De EU-lidstaten zijn voor meer dan de helft van hun energieverbruik afhankelijk van invoer. De mate van invoerafhankelijkheid verschilt echter enorm. Zo zijn Cyprus, Luxemburg en Malta vrijwel totaal afhankelijk van invoer, terwijl Denemarken zelfs meer energie uitvoert dan het invoert, en Polen en het Verenigd Koninkrijk relatief weinig van invoer afhankelijk zijn.

De algehele afhankelijkheid van geïmporteerde energie in de EU was in 2005 52,3% en er wordt voorspeld dat dit zal toenemen naarmate de eigen energiebronnen afnemen. De EU importeert momenteel ongeveer 50% van haar gas uit slechts drie landen: Rusland, Noorwegen en Algerije.

De EU doet hard haar best om de groeiende importafhankelijkheid aan te pakken door energie efficiënter te verbruiken, hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen en meer energieleveranciers te zoeken.

Efficiënter energieverbruik en omschakeling naar minder vervuilende hernieuwbare energiebronnen zijn ook doelstellingen die passen in de EU-strategie om de opwarming van de aarde ten gevolge van het verbranden van fossiele brandstoffen, met name kolen en olie, tegen te gaan. Bij het verbranden van fossiele brandstoffen komt kooldioxide vrij in de atmosfeer, wat bijdraagt aan de opwarming van de aarde. De EU heeft als doel gesteld om tegen 2010 21% van haar elektriciteit op te wekken uit hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie, waterkrachtcentrales en geothermische en biomassaenergie.

Milieubescherming

Naarmate de Europeanen steeds welvarender worden, krijgen zij steeds meer verantwoordelijkheid om minder afval te produceren en dit efficiënter te beheren. Iedere burger in de EU-27 produceert momenteel gemiddeld iets meer dan een halve ton stedelijk afval per jaar. Dit afval moet gerecycleerd, gestort of verbrand worden.

In de meeste EU-lidstaten is de hoeveelheid stedelijk afval in de afgelopen jaren gelijk gebleven of aan het dalen, maar in sommige lidstaten neemt zij nog toe. In Ierland is de hoeveelheid afval per hoofd het hoogst en in Polen het laagst.

Tot de belangrijkste oorzaken van de opwarming van de aarde behoren de zogenaamde broeikasgassen die door elektriciteitscentrales, boerderijen, de vervoersector en huishoudens worden geproduceerd. Deze gassen zijn onder andere kooldioxide, voornamelijk door verbranding van fossiele brandstoffen (kolen, olie en gas) en methaan.

De EU-15 moet overeenkomstig het Kyotoprotocol haar emissies van broeikasgassen tegen 2008-2012 met 8% hebben verlaagd (tegenover het niveau van 1990, dat als basisjaar geldt). Om dit doel te bereiken, hebben de landen van de EU-15 een lastenverdelingsovereenkomst gesloten in het kader waarvan de uitstoot in economisch minder ontwikkelde landen mag toenemen, terwijl deze in de overige landen moet afnemen. De nationale streefcijfers van de lidstaten staan in de tabel vermeld.

Tien landen die sinds 2004 tot de EU zijn toegetreden, hebben afzonderlijke streefcijfers voor de terugdringing van emissies. Cyprus en Malta hebben geen streefcijfer.

Japan heeft zich er krachtens het Kyotoprotocol toe verbonden zijn emissies met 6% te verminderen. De Verenigde Staten hebben het Protocol van Kyoto niet geratificeerd.