Juridische mededeling | Nieuw op EUROPA | Index | Over de EUROPA-website | Vraagbaak | Zoeken | Contact
Europa in 12 lessenSla taalkeuzebalk over (sneltoets: 2)
EUROPA > De EU in het kort > Europa in 12 lessen > les 2

De EU in het kort

 Welkomstpagina
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Tien mijlpalen
1951: Zes landen richten de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op
1957: Bij het Verdrag van Rome wordt een gemeenschappelijke markt gecreëerd
1973: De Gemeenschap breidt uit tot negen lidstaten en ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid
1979: De eerste rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement
1981: De eerste toetreding van een land uit het Middellandse-Zeegebied
1993: Voltooiing van de interne markt
1993: Verdrag van Maastricht: de Europese Unie wordt opgericht
1995: De EU breidt uit tot 15 lidstaten
2002: De invoering van euromunten en -biljetten
2004: Tien nieuwe lidstaten treden toe tot de Unie

 

Robert Schuman legt zijn beroemde verklaring af © EC
De Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman presenteerde
op 9 mei 1950 voor het eerst in het openbaar de ideeën die tot de
oprichting van de Europese Unie hebben geleid. Daarom wordt elk jaar
op 9 mei de verjaardag van de Europese Unie gevierd.

1. Op 9 mei 1950 werd in de Verklaring van Schuman voorgesteld een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal(EGKS) op te richten, wat gebeurde door de ondertekening van het Verdrag van Parijs van 18 april 1951. Hierdoor ontstond een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal tussen de zes oprichtende landen (België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland). Het doel, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, was om te zorgen voor vrede tussen de overwinnende en de overwonnen landen van Europa. Het ging erom dat de betrokken landen op voet van gelijkheid moesten gaan samenwerken binnen gezamenlijke instellingen.

2. De Zes besloten vervolgens op 25 maart 1957 door het Verdrag van Rome te ondertekenen een Europese Economische Gemeenschap ( EEG ) op te richten, die gebaseerd zou worden op een ruimere markt met een hele reeks goederen en diensten. Op 1 juli 1968 werden de douanerechten tussen de zes landen volledig afgeschaft. In de jaren zestig kwam ook een gemeenschappelijk beleid van de grond, met name op het gebied van handel en landbouw.

3. Dit werd zo’n succes dat Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk besloten zich bij de Gemeenschap aan te sluiten. Deze eerste uitbreiding, van zes naar negen leden, vond plaats in 1973. Tegelijkertijd kwam een sociaal en een milieubeleid tot stand en werd in 1975 het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) opgezet.

4. Juni 1979 betekende een belangrijke vooruitgang voor de Europese Gemeenschap, met de eerste verkiezingen voor het Europees Parlement. De leden worden om de vijf jaar via rechtstreekse algemene verkiezingen verkozen.

5. In 1981 trad Griekenland toe tot de Gemeenschap, in 1986 gevolgd door Spanjeen Portugal. Dit versterkte de aanwezigheid van de Gemeenschap in Zuid-Europa en maakte de uitbreiding van de regionale steunprogramma's des te dringender.

6. De wereldwijde economische recessie aan het begin van de jaren tachtig bracht een golf van „Europessimisme” teweeg. Maar er begon weer hoop te gloren toen de Europese Commissie, onder voorzitterschap van Jacques Delors, in 1985 een witboek publiceerde met een stappenplan voor de voltooiing van de Europese interne markt op 1 januari 1993. Deze ambitieuze doelstelling werd opgenomen in de Europese Akte , die in februari 1986 werd ondertekend en op 1 juli 1987 in werking trad.

7. Het politieke landschap in Europa veranderde ingrijpend door de val van de Berlijnse muur in 1989. Deze gebeurtenis leidde tot de hereniging van Duitsland op 3 oktober 1990 en tot de komst van democratie in de Midden- en Oost-Europese landen die zich uit de sovjetoverheersing hadden losgemaakt. De Sovjet-Unie hield in december 1991 op te bestaan.

Ondertussen werd onderhandeld over het nieuwe Verdrag betreffende de Europese Unie, dat in Maastricht in december 1991 werd aangenomen door de Europese Raad, samengesteld uit staatshoofden en regeringsleiders. Het Verdrag trad op 1 november 1993 in werking. De bestaande communautaire structuren werden uitgebreid met intergouvernementele samenwerking op bepaalde terreinen, waardoor de Europese Unie (EU) een feit werd.

8. Naar aanleiding van deze nieuwe dynamiek en de geopolitieke veranderingen in Europa traden op 1 januari 1995 drie nieuwe landen toe tot de EU: Oostenrijk, Finland en Zweden.

De val van de Berlijnse muur © Reuters
De Berlijnse muur werd in 1989 gesloopt, waarna de oude scheidingslijnen
binnen het Europese continent geleidelijk verdwenen.

9. De Europese Unie ging vervolgens aan de slag met het meest spectaculaire project tot nu toe:de invoering van een gemeenschappelijke Europese munt. De euro werd in 1999 voor niet-contante betalingen ingevoerd, bankbiljetten en munstukken werden drie jaar later geïntroduceerd in de twaalf landen die gewoonlijk de "eurozone" worden genoemd. De euro is nu een wereldvaluta voor betalingen en deviezenreserves en doet niet onder voor de dollar.

De Europeanen worden met de mondialisering geconfronteerd. Nieuwe technologiëen en het almaar toenemende gebruik van internet veranderen de economiëen, maar brengen ook sociale en culturele uitdagingen met zich.

De EU nam in maart 2000 de "strategie van Lissabon" aan om de Europese economie te moderniseren en te zorgen dat Europa op de wereldmarkten de concurrentie met de Verenigde Staten en de nieuwe geïndustrialiseerde landen aankan. De strategie van Lissabon is bedoeld om innovatie en bedrijfsinvesteringen aan te moedigen en de Europese onderwijsstelsels aan te passen aan de behoeften van de informatiemaatschappij.

Tegelijkertijd staan de nationale economieën onder druk ten gevolge van werkloosheid en oplopende pensioenkosten. Dat maakt hervormingen des te noodzakelijker. De kiezers dringen bij hun regeringen steeds meer aan op praktische oplossingen voor deze problemen.

10. Terwijl de Europese Unie nog maar nauwelijks was uitgegroeid tot 15 lidstaten, begonnen al voorbereidingen voor een uitbreiding van nooit geziene omvang. Halverwege de jaren negentig kwamen de voormalige Oostbloklanden (Bulgarije, Hongarije, Polen, Roemenië, Slowakije en Tsjechië), de drie Baltische staten die deel hadden uitgemaakt van de Sovjet-Unie (Estland, Letland en Litouwen), een van de republieken van het voormalige Joegoslavië (Slovenië) en twee landen in de Middellandse Zee (Cyprus en Malta) bij de EU aankloppen.

De EU verwelkomde deze kans om meer stabiliteit te brengen op het Europese continent en om deze jonge democratieën te laten meeprofiteren van de Europese integratie. De toetredingsonderhandelingen begonnen in december 1997. De uitbreiding van de EU tot 25 lidstaten vond plaats op 1 mei 2004, toen 10 van de 12 kandidaat-lidstaten toetraden. Bulgarije en Roemenië volgden op 1 januari 2007.

Juridische mededeling | Nieuw op EUROPA | Index | Over de EUROPA-website | Vraagbaak | Zoeken | Contact | Naar boven